WERKZAAMHEDEN IN FEBRUARI - MAART.



De winter is dan toch gekomen. Met tusschenpoozen, kort, maar hevig. En toen 'k op St. Sylvester m'n bijen binnen bracht, voelden ze tamelijk licht.
Stormen bleven ons niet gespaard. Bij een mijner kennissen woei de geheele losstaande noodstal om. Vier uur lagen tien boogkorven in den ijzigen wind, vóór 't geval verholpen kon worden. Zie uw stal na. Voor alles behoort hij vast te staan. Met 'n paar schoren kunt ge voorloopig reeds heel wat doen. Bij 'n ander waren des nachts de helft der daken van de Amerikaansche woningen gewaaid en had de regen de kussens doorweekt. De deksels dier huiven hadden met steenen bezwaard moeten zijn. Kiest ge voerbakken, dan kunt ge ze, wanneer ze buiten gebruik worden gesteld, netjes opstapelen.

De bijenhof behoort 'n luw terrein te zijn. Leg nu windbrekers aan. Alleen den zuidkant laat ge open. Twee of drie rijen fijne sparren voldoen heel goed. En van Biota's plant ge 'n dichte heg. Maar sparren lijken me op den duur beter, want zij groeien hooger op.
Als ze er nog niet staan, plaats dan schaduwboomen voor den stal; vooral als de vlieggaten naar 't Z, of Z.-W. gekeerd zijn. De praktijk deed reeds lang de meening te niet, dat de onmiddellijke blootstelling der korven aan de zonnestralen den bijen ook des zomers voordeelig zou zijn. Gedurende 't voorjaar kan 't zonnetje geen kwaad, maar dan geven de boomen gelukkig nog geen overvloedige schaduw.

Onze bijenweide kan nog gerust wat rijker worden. Zaai bijenbloemen, vooral daar waar de zeis van den maaier niet komt. De meeste zaadhandelaren bieden ze in hun prijscouranten aan.
Maar beter nog handelt ge, als ge landbouwers uit uw omgeving kunt overhalen, honinggevende voeder- en handelsgewassen te verbouwen, die niet voor den bloei gemaaid behoeven te worden.
De katjes van den hazelaar worden reeds geel. De sneeuwklokjes bengelen, boden van de naderende lente.

Maar de bijen, die in den kelder staan, blijven er tot ongeveer half Maart. Slechts die stokken, welke aan roer lijden, worden op 'n mooien lentedag naar buiten gebracht. Dat kan ook gebeuren met de huiven, die in 'n schuur zijn geborgen. 's Avonds echter weer naar binnen.
Vreest ge voor te groote warmte of bedorven lucht in de bergplaatsen, open dan des nachts de deur.
Stokken op de zomerstand kunt ge bij 12° C. of 54° F. in de schaduw moeilijk binnen houden. Tracht 't aantal uitvluchten echter zooveel mogelijk te beperken, door de krielgaten voor de verlokkende zonnestralen te sluiten. Veel uitvluchten leiden tot overmatigen broedaanzet, vooral als er reeds stuifmeel kan verzameld worden. En bij 't zoeken naar water gaan heel wat bijen verloren.
Kunt ge de uitvluchten niet verhinderen, zorg dan voor 't aanleggen van 'n drinkplaats op 'n luw, zonnig plekje. Geef eerst, om de bijen er heen te lokken, zeer verdund honingwater. Vindt ge veel suikerkristallen op den bodem, dan kan drenken noodzakelijk zijn. Water wordt den bijen op dezelfde wijze gereikt als honing en suikerwater, dus in de woning.
Maar ook om dezen tijd zijn rust en warmte nog de eerste voorwaarden voor 't welzijn van elke kolonie, als voedsel tenminste niet ontbreekt.

Wie voor 'n goede inwintering zorg droeg, doet wijs als hij z'n volken niet te groote belangstelling wijdt.

F.C. van BRUSSEL, 29 Januari '05.