BRIEVENBUS
Heidehoning. Maak geen bijen dood.
Mijnheer de Redacteur, beleefd verzoek ik onderstaande regelen ter aanvulling van mijn artikel in 't novembernummer te willen opnemen?
De heer J. R. verklaart niet altijd zoo gelukkig te zijn geweest als ik, hij heeft wel doode stokken in 't voorjaar gehad. Ik heb er sedert den winter van '90 en '91 nooit gehad. Mogelijk zult gij zeggen: 't is een te kort tijdsverloop om daar nu zoo'n stellige meening over uit te spreken.
Nu ik ben ook niet van Adam's tijd, maar in die jaren heb ik de fout opgemerkt. Velen zijn 't niet met me eens! Waarom? Ze hebben te veel met den heidehoning op, omdat die hun dikwijls een mooie winst opbrengt. Heidehoning is zeker altijd goed en hij staat ook bij mij goed aangeschreven, ik woon langs een uitgestrekte heide en ontvlucht die in 't geheel niet. Maar hij is slecht in de wintermaanden, als de bijen dan lang opgesloten zijn, krijgen ze daarvan meer behoefte om zich te ontlasten dan van anderen honing.
De heer J. R. en vele lezers zullen het waarschijnlijk met mij eens zijn, dat oude stokken verreweg de beste zijn om te overwinteren, ze worden bijna zelden of nooit vuil. Men zegt nog wel van zoo'n ouden stamstok : O! die heeft 't altijd zoo goed gedaan, 't is jammer, dat 't werk zoo oud wordt. Werkelijk 't schijnt of ze van een geheel andere natuur zijn. Hoe komt dat? Waarom zijn nazwermen of maagdezwermen later in den zomer en die toch tot een goed gewicht komen, niet even goed? Er zit bij die oude stokken gewoonlijk nog een goede portie voorjaarshoning in 't laatste gedeelte van den korf en, omdat de bijen zich 's winters daar samentrekken, wordt die honing ook 't eerst verteerd, ze gebruiken den later gewonnen honing eerst in de lente.
Daarom blijft dan ook mijn vaste overtuiging, dat de heidehoning en langdurige opsluiting niet samen kunnen gaan. Dit zal waarschijnlijk nog lang een strijdpunt blijven, waarover heel wat gepend zou kunnen worden, maar als de heer J. R. en vele anderen eens degelijk goede stokken met goeden voorjaarshoning inwinterden en tegelijk een zelfde aantal alleen met heidehoning, dan zal de strijd wel spoedig uitgemaakt zijn!
Wat nu verder, 't geen de heer Tukker op bldz. 181 zegt van oude sleur en manier, betreft, dan durf ik gerust te verklaren, dat ik er die niet op nahoud. Ik wil altijd gaarne leeren, ik ben zoo wat de eenige in mijn streek, die lossen bodems heeft, ook de eenige, die daarmee met succes werkt en er reclame voor gemaakt heeft, door den lossen bouw kan ik 't vereenigen van volken naar willekeur regelen.
Maar omdat ik er geen voordeel in zag, heb ik 't naar de maan gegooid. En wat de nieuwe wijze van vereenigen betreft, die de heer Tukker aangeeft, ik laat 't gaarne aan anderen over om de proef te nemen. Bij de oprichting der Vereeniging was immers 't wachtwoord:
Maak geen bijen dood ! Vereenig ze ! Toen heb ik 't gedaan.
U, Mijnheer de Redacteur, dank voor de opname.
M. van der MEER, Reek bij Grave
----------
Maak geen bijen dood.
Mijnheer de Redacteur, toen ik het stukje onder bovenstaanden titelschreef, dacht ik wel, dat er tegenspraak zou volgen, maar 't kwam niet in mij op, dat ik niet begrepen zou worden. Maar, helaas, de heer Th. M, schijnt mijn stukje zelfs niet goed gelezen te hebben, want was dat wel 't geval geweest, dan zou hij niet mijn oordeel vragen over die oude bijen. Mij dunkt, zooals ik spreek op bldz, 185 onderaan: dat ik uit de overtollige volken eerst de koningin uitneem en dan het broed uit die volken bij de opzetters plaats, dat is toch duidelijk genoeg voor een praktisch ijmker. En dan verder, dat ik na een of twee dagen de bijen uit diezelfde volken bij de opzetters voeg, zoodat ik dan alleen de opzetters over heb.
Mijnheer Th. M. nu mag ik U toch wel eens vragen, tenminste als u ijmker zijt, hoe ik, als mijn volken thuis zijn en gereed gemaakt zijn om te overwinteren, de oude bijen uit die standstokken moet zoeken en de jongen er in laten? Ik ben al eenige jaren ijmker, maar zoo iets zou ik toch nog wel willen leeren?
R. TUKKER Jr., Breukelen.
----------
Mijnheer de Redacteur, vriendelijk dank er voor, dat u mij het antwoord van den heer Tukker Jr. ter inzage hebt gezonden en mij gelegenheid wilt geven om nog daarop terug te komen.
Ik durf niet te zeggen, dat ik een praktisch ijmker ben - een praktisch man is een man van veel ervaring (d.i. nuttige ervaring, die hem wat opgeleverd heeft), maar ik heb bijen en wil graag wat leeren. Vandaar mijn vraag aan den heer Tukker Jr,, die met een wedervraag beantwoord wordt.
Ik weet werkelijk niet hoe ik de oude bijen uit de standstokken moet zoeken en de jonge daarin laten. Ik denk ook niet, dat ik 't weten zal, als ik eenige jaren ijmker geweest ben, daarin ben ik even wijs als de heer Tukker Jr., en ik denk even wijs als de andere bijenhouders.
Die oude bijen zitten in de opzetters, dat heb ik goed gelezen en ik meen den heer Tukker Jr. ook goed begrepen te hebben. Ik vroeg dan ook of die oude bijen, hetzij 's winters in den stok, hetzij als de dracht in 't voorjaar begint, inderdaad van nut zijn? Op die vraag heb ik geen antwoord gekregen.
Th. MOLLEN.