VAN OVER DE GRENZEN.



Een oude strookorf.

Wat dat in de Vereenigde Staten beteekent, kunnen we leeren uit een correspondentie in "The American Bee-Keeper" van Januari 1.1.We lezen daar :
U vraagt in 't December-nummer van "The Bee-Keeper", "Waar zijn strookorven"? Ik heb er eentje, dien mijn broer opgesnord heeft in New Jersey (mijn vroegere woonplaats). 't Was een heel gezoek en geen korf, hij gaf 't op. Ik schreef hem waar ik er eentje, een vijf-en-veertig jaar geleden gezien had. Hij ging daar heen en vond er een in een van die oude steenen huizen die er in dat deel van New Jersey nog velen zijn. De bewoonster gaf hem den korf present om die aan mij te zenden, ze herinnerde zich mij als kleine jongen gekend te hebben. Ze is nu bijna negentig jaar, haar vader stierf dertig of vijf-en-dertig jaar geleden, ongeveer zoo oud als zij nu is.
Zij vertelde, dat de korf gebruikt werd toen zij nog een klein meisje was. U kunt nu evenals ik den ouderdom eenigszins nagaan. Ik heb hem de verloopen zes jaar in gebruik. Elk jaar geeft hij sterke zwermen en Meiziekte schijnt er niet in voor te komen. Ik heb hem in de stad in mijn tuin staan en 't is voor de menschen, die er langs komen, een heele merkwaardigheid. In heel Iowa ken ik geen enkelen korf dan deze.

-----------


Weg met den suikerhoning.
In de correspondentie van"The American Bee-Keeper" (Jan.) lezen we, dat de heer A.C. MILLER in zijn artikel den goeden toon heeft aangeslagen, 't is te hopen, dat 't van invloed zal zijn om 't voederen met suikerstroop (hier wordt natuurlijk geen speculatief- of noodvoederen bedoeld, RED). Elke bijenhouder moet 't verscheidene malen lezen. Zoo moet hij maar meer van zich laten hooren.
Nog een andere sterk af te keuren praktijk is 't om honing uit te slingeren voor hij rijp is. 't Doet veel meer kwaad aan de zaak dan ik zeggen kan. De winkels en de commissionairs in Buffalo zitten vol met dit goedje, dat ze honing noemen. Geen eerlijk bijenhouder kan tegen zulke praktijken op. Geen woorden zijn krachtig genoeg om dit voederen met suikerstroop en 't uitslingeren van den honing voor hij rijp is te veroordeelen.
't Is den ondergang voor onzen handel. Ik wil met die oplichters niets uit te staan hebben.

-----------


In "Gleanings" staat, zegt de Redacteur van "The American Bee-Keeper" (Jan.), dat er 300.000 Russen zijn, die bijen houden.
't Is maar goed, dat ze toch iets houden kunnen - vrede wilden zij niet houden.

-----------


Honinggevende cultuurgewassen worden besproken door FRANK BENTON, beambte aan 't Landbouw Departement der Vereenigde Staten, Afdeeling Bijenteelt, in "Gleanings in Bee Culture" van 1 Nov. Hij behandelt een artikel van W.K. MORRISSON in het Juli-nummer en wijst op onjuistheden, die daarin voorkomen. Van Onobrychis sativus, (esparcette, hanekammetjes), Hedysarum coronarium (sulla klaver), artischokken, paardeboonen, Brassica napus, (kool- en raapzaad), Cytisus proliferus (boom-alfalfa), een soort goudenregen, roode bessen, hazelnoten wordt een en ander vermeld.
De schrijver zegt tot slot stellig overtuigd te zijn, dat voor de bijenteelt in de toekomst er rekening mee moet gehouden worden, als er geen voortdurende bijenweide in een of andere streek is. Met voldoening kan hij er daarom op wijzen, dat men op 't Landbouw Departement voornemens is een reeks onderzoekingen te doen, die er toe zullen leiden, dat gegevens omtrent de voornaamste honinggevende planten van 't land in kaart zullen worden gebracht, met opgave van bloeitijd, hoeveelheid en hoedanigheid van de opbrengst, met aanteekeningen omtrent de kweekwijze, enz., zoodat we mettertijd juist zullen kunnen weten, als er geen voldoende dracht is; en welke planten van pas zullen komen in deze of gene streek. Dan zullen we in staat zijn om hen, die plan hebben om bijen te gaan houden, of die al honing-oogsten, of die op andere wijze met bijen te doen hebben, in elk deel van 't land beter in te lichten, dan nu mogelijk is; en we zullen ook gelegenheid hebben om beter te weten of uit den vreemde ingevoerde gewassen voor eenige streek van waarde zijn.

Zooals gezegd is, de heer BENTON wijst op onjuistheden in 't werk van den heer MORRIS - niet alle genoemde planten zijn daarom honinggevend of voor ons van waarde. In Amerikaansche bladen wordt veel van alfalfa gesproken, maar daarmede wordt niet altijd dezelfde plant, de boom-alfalfa (Cytisus) bedoeld - heel dikwijls de ook hier wel gekweekte luzerne (Medicago sativa) - waarschijnlijk geeft dat in die bladen wel tot misverstand aanleiding.

In Amerika heeft men wel een geheel anderen kijk er op dan in onze Vereeniging, als men wat van honinggevende gewassen te weten wil komen. Daar een afdeeling van 't Landbouw Departement, die over een staf ervaren medewerkers en zeer ruime middelen beschikt, welke zich voorstelt een reeks onderzoekingen te doen, die dan tot gewenschte gevolgtrekkingen zullen kunnen leiden - hier 't uitschrijven van een prijsvraag, waarvan de beantwoording mogelijk veel eer kan bezorgen, maar die nimmer den arbeid kan loonen, die voor een degelijke, op eigen waarneming gegronde beantwoording noodig is.

----------


Een spreuk voor bijenhouders vinden we in "Elsas-Lothringischer Bienenzüchter" van Nov./Dec., nam.: Het pond honing, dat ge in den herfst afneemt van 't geen uw bijen noodig hebben, bezorgd U in 't voorjaar een tienmaal grooter verlies dan 't waard is.

----------


Haastige gevolgtrekkingen van bijenhouders. In "American Bee Journal" van 10 Nov. vinden we onder dit hoofd een zeer nuchter maar even ware opmerking, n.m.: Die met bijenhouden begint loopt gevaar van gevolgtrekkingen te maken zonder voldoende gegevens, of zonder rekening te houden met alle omstandigheden. Mocht hij 't eerste jaar een rijke oogst hebben dan volgt daaruit nog niet, dat hij een allerbeste omgeving heeft; evenmin bewijst tegenslag, dat 't een arme streek is; dat eerste jaar kan een uitzondering zijn geweest, door elkaar genomen kunnen zij heel anders zijn. Een proef gedurende een jaar met een enkel volk bewijst weinig, dezelfde proef gedurende een reeks jaren, met een groot aantal volken genomen, kan een gehee1 ander resultaat geven.

Onderlinge vergelijking is van belang en in sommige gevallen geeft dat alleen een maatstaf. Iemand, die begint, slaagt goed met een groote of met een kleine kast, en meent, dat de groote, die hij gebruikt had, de beste voor hem is, ofschoon hij nooit een andere gebruikte. Als hij kasten van verschillende afmetingen naast de zijne had gebruikt, zou hij tot een andere gevolgtrekking hebben kunnen komen.
Zelfs menschen met ondervinding gaan daarmee wat luchtig te werk .
Dit wordt door een voorbeeld uit de Amerikaansche bijenwereld bevestigd - ook onze bijenwereld kan die opleveren.

----------


Het nut der darren is de titel van een artikel van den Amerikaan C.P. DADANT in "L'Apiculteur" van Januari. Zij, die zeggen, dat 't volk met de meeste darren ook 't beste is, verwarren gevolg en oorzaak. 't Volk is niet 't sterkste, omdat 't de meeste darren heeft, maar 't heeft de meeste darren, omdat het 't sterkste is. Een weinig vruchtbare koningin geeft een zwak volk en een klein aantal, soms geen darren, tenzij ze darrenbroedig wordt. Heeft men b.v. in een bijenstand 5 middelmatige volken en 5 beste, dan zullen de laatste toch meer honing geven, al zijn er veel darren in. Maar een deel van die darren is toch overtollig en de oogst zal overvloediger zijn, als men dat groote aantal voorkomt.

ARISTOTELES heeft dat al geweten. De bijentelers gebruikten van teen gevlochten afsluitingen, waartusschen de werksters door konden kruipen, de darren niet.

In 1609 beschrijft een Engelschman, BUTLER, een toestel voor dit doel. Tegenwoordig kent iedereen ze, ze hebben 't bezwaar, dat in de warme dagen, als er juist wat meer ruimte en ventilatie moet zijn, de werksters er door belemmerd worden.

't Is niet aan te bevelen om, zooals velen doen, ze nog in de cel te guillotineeren, de bijen moeten dan die doode lichamen er uit halen in een tijd, dat er zooveel ander werk te doen is.
Bovendien vindt de koningin dan dadelijk ledige darrencellen, waarin ze opnieuw eieren legt en daaruit komen weer darren, die al den tijd voedsel en zorg noodig hebben, meer dan werksters, bovendien nemen ze meer ruimte in. We besparen, als we darrenraat vervangen door werksterraat, eenige ponden honing per kast, dat loont al de moeite.
De darrenraat moet dadelijk door werksterraat vervangen worden - toch worden nog darrencellen opgebouwd - maar dan blijven eenige duizenden werksters in plaats van darren altijd een belangrijk voordeel.

Ten slotte zegt DADANT, dat 't voordeel van kasten met lossen bouw vooral daarin zit, dat men er op allerlei wijzen mee handelen kan. Zet men de bijen in zoo'n kast net als in een korf, kijkt men er niet in, dan kan men evengoed een gewonen korf koopen.