VRAGENBUS.
Antwoord op vraag 6. (mrt 1905) De volgende woordelijke aanhalingen kunnen den vrager ten deele bevredigen:
Dit cruyt (Melisse oft Confilie de grein) (Citroen melisse. Melissa officinalis. Red.) ist de Bien soo aengenaem, als de Matre (Kamille. Red.) dien onaengenaem en tegen is: want als men de Bien houden oft locken wil, salmen de biekorven strijcken met bloemen van Confïlie de greyn, gelijck men de selve met bloemen van Matre strijckt, als men de Bien wil verdrijven oft doen vertrecken.
VALERIUS CORDUS schrijft dat Hertsghespan oft cardiaca (Lycopsis arvensis. Kromhals. Red.) de Bien bij een houden ende vergaderen can ende dattet van heur soo seer gesocht en bemint wort als de Melisse selve. Daerom hebbense soo grooten ongelijck niet gehadt, die dat voor een soorte van Melisse gehouden hebben, als voorseyt is.
Om te maecken dat de Huenich bien heur corven niet en verlaten, maar veel eer ander bien tot heur locken salmen den Acorus (oft lisch met welrieckende bladeren) (Acorus calamus. Kalmus. Red.) aan de Biecorven hangen. Denselven Aristomachus ende Democritus met hem, hebben versekert, dat de Bien nimmermeer vervliegen oft hun corven verlaten en sullen als zij den Cytisus (Gouden Regen. Red.) mogen hebben, om daer op te vliegen.
Som noemen den Calamus nae 't schrijven van Apuleius Piper apum, dat is Bien peper, omdat hij aan de Bijecorven ghehangen de Bijen bijeen versamelt, ende bij huys doet blijven, als Dodonaeus van den ghemeynen Calmus oft Acorus oock schrijft (Aanteekening Carolus Clusius.)
Buphthalmum (B. cordifolium. Red.) ('n soort kamille uit Kroatie) verjaegt de vliegen en Bien: jae doet de Bien sterven alsmen dat cruydt aan de Biecorven hangt. Oft dat onze strijckbloemen (kamillen) doen connen, is ons noch onversocht.
Dan al ist dat de menschen door dese vrucht herdt van buyck worden: nochtans sietmen dat de Bijen die van de Cornoeilien (Kornoelje. Red.) proeven, daar den buyckloop af crijgen, die heur doet sterven. Daerom sal men desen boom geensints omtrent de Biekorven setten.
Alleen zijn sij (de olmen of iepen) den Bijen schadelick: daerom en magmen geen Biecorven omtrent dese boomen.
Cruydtboeck van RENBERTUS DODONAEUS, Leiden, 1608.
Acorus van Dioscorides ende Acoros Theophrast valschelick Calamus gheheeten in de Apotheke in den bienkorf ghehangen, soo en sullen de Bien nimmermeer van daer vervlieghen oft elders swermen.
M. DE LOBEL, Kruydtboeck, Antwerpen, 1581.
De Byen kunnen de Bloemen des Lindenbooms, welke warm en droog van aart zijn, geenzins verdragen: derhalve moeten in de Bloeityd de Bykorven verre van daar gezet worden.
Koeoog of Bupthalmum op de Bykorven gehangen verdrijft de Byen, Vliegen, en doed ze sterven.
De Bladeren van Acorus of welriekend lis aan de Bykorven gehangen brengen teweeg, dat de Byen niet zullen wechvliegen, maar inteegendeel noch meer andere tot haar lokken. Hertsgespan (Cardiaca of Lycopsis) op de Bykorven gehangen, doed de Byen bijeen vergaderen en bij malkander blijven, wijl de reuk van hetzelve haar zeer aangenaam is.
Melisse bij de Bykorven gelegt ; of dezelve daarmee bestreeken, doed de Byen wijl haar 't zelve zeer aangenaam is, niet alleen bij hare korven blijven; maar ook worden de vreemde daar toe gelokt.
Integendeel, deze Korven met Mater bestreeken, doet al de Byen hare woonplaats verlaten.
[i]ABRAHAM MUNTING, Beschrijving der Aardgewassen. Leiden en Utrecht 1696.
(F.C. van Brussel, Santpoort).
Antwoord op vraag 9. ((apr. 1905) Enkele malen is het mij wel gebeurd, dat ik zag, dat de koningin een eitje in een moerdop afzette, voor mij staat 't dus vast, dat de koningin de moerdoppen bezet, de werkbijen doen 't niet. Ik geloof er niets van dat werkbijen eieren verplaatsen, want waarom maken zij dan doppen midden op een raat (als een koningin omkomt), dat geeft toch zeker meer moeite, dan eenvoudig een eitje over te brengen in een dop, die toch, vooral bij oude stokken, meestal aanwezig is.
R. TUKKER Jr. te Loenen.
Antwoord op vraag 12. (apr. 1905) PUBLIUS VERGILIUS MARO (70-190 Chr.) schreef 'n leerdicht over den landbouw. Den vierden zang dezer "Georgika" wijdt hij den bijen. VONDEL leverde hiervan 'n vertaling in »Publius Virgilius Maroos wercken en zij komt voor in een der deeltjes van Vondels werken (Leiden A.W. Sijthoff. Prijs per deel 60 ct., gebonden 90 ct.)
'n Uitmuntende Duitsche vertaling van VERGILIUS danken wij aan Prof. dr. W. BINDER. Zij verscheen in 10 afl. in de Bibliothek sämtl. griech. u. röm. Klassiker (Berlin. S.W. Langenscheidtsche Verlagsbuchhandl. Prijs per afl. Mk. 0.35. Elke afl. is afzonderlijk verkrijgbaar.)
VIRGILIUS was een der beste dichters uit de gouden eeuw der Romeinsche letterkunde en onder z'n werken staat 't bovengenoemde leerdicht 't hoogst. Z'n verhandeling over de bijen is dus nog steeds »merkwaardig en leerzaam". Maar alleen uit 'n historisch en litterair oogpunt. Wie de bijenteelt uit VERGILIUS zou willen leren, komt natuurlijk 19 eeuwen te laat.
F.C. van Brussel. te S.
Antwoord op vraag 13. (apr. 1905) Gewonse assurantie-maatschappijen zijn nog al lastig. Vroeger heb ik getracht om te verzekeren, maar zonder resultaat.
R. TUKKER Jr. te Loenen.
Vraag 14. Hoe maakt men was?
Antwoord op vraag 14: Was wordt verkregen uit de door de bijen gebouwde raten. Eenjarige lichtgele raten bevatten ongeveer 70 pCt., meerjarige bruine ongeveer 55 pCt., zeer oude, zwarte slechts 30-33 pCt. zuiver was.
Men verzamelt alle oude raten en al 't was afval. Om z'n voorraad tegen de wasmot te beveiligen, kneedt men 't ruwe was in warm water tot vuist groote ballen. 'n Hoeveelheid van 10-15 K.G. daarvan loont veelal de moeite van 't opsmelten.
Voor men hiertoe overgaat, worden de wasballen in heet, zacht (regen)water verbrokkeld en herhaaldelijk uitgewasschen. Wie met geringe hulpmiddelen moet werken en tevreden is met 'n matig rendement, kan gebruik maken van 'n geëmailleerd of gegalvaniseerd ijzeren waschketel met loodrechte wanden. 'n Zeef van geperforeerd blik of grof mazig ijzergaas wordt daarin passend gemaakt. Noodig is nog 'n perszak, vervaardigd van grof linnen of van touw gebreid.
Deze zak wordt met de verbrokkelde wasballen gevuld, met touw toegebonden en vervolgens op den bodem van den ketel geplaatst. Daarop komt de zeef. Vervolgens wordt de ketel met zacht water tot 1 à 2 cM. boven de zeef gevuld, waarna deze met 'n gewicht bezwaard wordt. Plaatst men dit op 'n treeft, dan houdt men de openingen der zeef vrij.
De ketel wordt te vuur gezet en 't water langzaam aan den kook gebracht. 't Was smelt, wordt door 't gewicht uit den zak geperst en stijgt daar 't soortgelijk lichter dan water is, door de openingen der zeef omhoog. Bij afkoeling vormt zich op het 't water 'n waskoek.
Hoe langzamer de afkoeling geschiedt, hoe zuiverder 't was wordt, daar dan allen onreinheden tijd gegeven wordt te bezinken. Aan den bodem van de waskoek zal zich echter nog altijd eenig vuil bevinden, dat evenwel gemakkelijk kan worden afgeschraapt.
't Is wenschelijk de verkregen waskoek nog eens in warm water, dat nu niet koken mag, op te smelten. Op deze wijze verwijdert men nog meer vuil. Laat men vervolgens snel afkoelen, dan verkrijgt men 'n schoone, gelijkmatige kleur.
In den handel zijn tal van toestellen om uit raten was te bereiden.
Zonne-wassmelters gebruikt men om door middel van zonnewarmte geel gekleurde raten of overkappingen in was om te smelten. In ons klimaat kunnen zij zelden dienst doen.
Bij stoomwassmelters wendt men voor 't zelfde doel heeten waterdamp aan. Zij kunnen ook gebruikt worden voor oude raat.
'n Grooter rendement verkrijgt men met de stoomwaspersen. Stoom smelt hier 't was en mechanische druk scheidt 't van de pophuiden, welke de raat bevat.
Bij de gewone waspers, smelt men de raat in kokend water, schept vervolgens 't gesmolten ruwe was in den perszak en perst er daarna 't zuivere was met belhulp van schroef of hefboom in de pers uit.
Nooit is 't mogelijk al 't was uit de raten te verwijderen; zelfs bij herhaalde persing blijft er nog 10-30 pCt. in de pophuiden achter.
De beschrijving dezer toestellen gaat 't bestek der vraag te buiten.
F.C. van Brussel te Santpoort.