IK WENSCHTE WEL BIJEN TE GAAN HOUDEN !
Dat's een gedachte, die dikwijls uitgesproken wordt en dan gewoonlijk door eenige vragen om inlichtingen gevolgd wordt.
't Is ook 't geval in een schrijven, dat de redactie dezer dagen ontving, waaraan nog de opmerking is toegevoegd, dat de aanvrager niet 't genoegen heeft een ijmker onder zijn kennissen te tellen en vermoedt, dat een handelaar in ijmkersbenoodigdheden meestal niet geheel onpartijdig zal inlichten. Deze laatste opmerking doet denken aan iemand, die 't gevoel heeft van een schaar, dat geschoren zal worden. In 't algemeen deelen we die opmerking volstrekt niet, ofschoon we bij 't verder inzien van 't schrijven, in dit bizondere geval, toch wel begrijpen kunnen, dat die gewaarwording opgekomen is.
De bijen zullen voor eigen liefhebberij en voordeel gehouden worden.
De bedoeling zal wel zijn, dat men een smakelijk hapje honing tegen een matigen prijs wenscht te kunnen eten. Dat's zeker wel te hebben, als men er wat mee op de hoogte is en verstandig met zijn bijen om kan springen. Maar we zouden niemand met de hoop willen vleien, dat hij er dadelijk een duitje uit zal kunnen slaan, nog minder, dat hij zoo een bijverdienste van eenig belang zal kunnen hebben. Die 't anders ondervonden heeft, deele zijn gegevens mede; de lust om bijen te gaan houden zou hij zoo belangrijk aanmoedigen en zeker een goed werk doen.
De briefschrijver woont in een buitenwijk van een onzer groote steden, heeft een klein tuintje, overal zijn tuintjes in de buurt en in de nabijheid is weiland. Om nu te beoordeelen of zoo'n omgeving geschikt is voor 't honinggewin, zou men er veel meer van moeten weten.
't Maakt zoo oppervlakkig bekeken den indruk, dat men daar op een matig gewin zal kunnen rekenen, dat er altijd wel wat te halen zal zijn en er niet zoo heel veel gevoederd zal behoeven te worden. Maar als in een omgeving zoo nergens een bijenhouder te vinden is, die er wat van vertellen kan, dan is er eenige schijn, dat de dracht schraaltjes zal zijn. Intusschen de toestanden kunnen veranderen.
Op de vraag of er een handleiding bestaat, die een beginneling van meet af kan voorlichten, antwoorden we dadelijk dat geen handleiding met eenig nut gebruikt zal kunnen worden, als men tenminste niet wat van de praktijk gezien, maar nog beter er veel aan gedaan heeft. Uit een handleiding kan men heel wat te weten komen, er is er geene of ze kan ons wat leeren, maar met een handleiding verzamelt men geen honing. Dat doen de bijen en alleen door de praktijk leert men daarmede omgaan .
Wat is beter korven of kasten en welk soort ?
De steller der vraag zal daarmede wel de bedoeling hebben om te weten te komen, wat voor hem beter is: vaste of losse bouw, want er zijn veel korven, maar ook kasten met vasten bouw - veel kasten, maar ook korven met lossen bouw.
Dat's 'n vraag, die nog altijd heel wat beroering geeft. Wat later na dit artikel nog in 't "Maandschrift" volgen kan, zal 't doen blijken. Wij willen om die reden nu een stellig antwoord geven. Begint men van meet af, dan raden we aan, om 't met lossen bouw te doen - daarentegen is 't voor menigen korfijmker beter om maar nooit met lossen bouw te beginnen, want hij zit dan bij zijn lossen bouw met allerlei handgrepen van den vasten bouw te peuteren, komt nimmer tot een geregelde toepassing. Hij probeert met een been van stroo en met een been van hout te loopen, hij verliest de voordeelen van den vasten bouw en mist die van den lossen, moet natuurlijk velerlei teleurstellingen ondervinden.
En welke kast dan?
Elke eenvoudige, flink gebouwde kast - geen eigen bedenksels ! De kasten, die nu bij voorkeur gebruikt worden, hebben allen hunne wordingsgeschiedenis gehad, daar zit heel wat denken over dat eigenaardige leven der bijen, in - die afmetingen zijn niet toevallig, eerst heeft men daarbij ook misslagen begaan, daarna is verbeterd en nog eens verbeterd! Men moet niet vergeten, dat een goede kast eer het werk van een schrijnwerker dan van een timmerman is; kleine afwijkingen b.v. in den stand der raampjes, kunnen een ellendig getob geven en 't gewin zeer benadeelen.
Welke bijen zijn het verkieslijkst Italiaansche of inlandsche? Als men eenvoudig wil beginnen en niet veel geld er aan besteden, dan is 't in ieder geval aan te raden, om inlandsche bijen te nemen. 't Komt ons voor, dat er veel meer kans is om goede inlandsche dan goede Italiaansche te verkrijgen.
De briefschrijver zou ook gaarne wat vernemen omtrent de wijze en kosten van installatie; hij deelt mede, dat een kennis van hem voor vier kasten de volgende opgave kreeg van een handelaar:
4 kasten met toebehooren à f.15,- = f. 60,-
1 honingslinger f. 15,-
2 zwermen à f. 7,50 = f. 15,-
handschoenen, sluier en diverse benoodigdheden f. 15,-
Hout en werkloon f. 15,-
Vervoer, vracht, enz. f. 5,-
Totaal f. 125,-
De verzuchting wordt geslaakt, dat 't van zelf spreekt, dat de meeste lui voor zoo'n uitgaaf terugschrikken, en de opmerking gemaakt, dat voor vier volken toch wel geen honingslinger noodig zal zijn.
't Schijnt, dat men bij deze opgave genoteerd heeft, wat men wel zou kunnen leveren, terwijl de steller der vraag wilde weten, wat men bepaald noodig zou hebben.
In de Vragenbus van den vorigen jaargang Bldz, 64 en 77 hebben een drietal bijenhouders hunne bevindingen meegedeeld en wij vinden daar zeer uiteenloopende, geheel andere cijfers. Dit bewijst wel, hoe moeielijk 't is, om daarvan cijfers op te geven. Staat men met geen bijenhouders in verbinding, die vriendschappelijk willen helpen, dan is men bij de bijenteelt net als bij andere zaken aangewezen op de handelaars. Nu is 't mogelijk, dat er bij zijn, die 't grootscheeps aan willen leggen en berekenen, maar zeker zijn er toch, die elk naar zijn behoeften tegen een passenden prijs willen bedienen.
Geeft men duidelijk op hoe men 't wenscht, dan is 't toch in 't belang van de handelaren om daarmede rekening te houden, elk naar zijn wenschen te bedienen en zooveel mogelijk voorlichting te geven. 't Ontbreekt daarbij niet aan concurrentie, in 't "Maandschrift" vinden
wij hunne advertenties, nadere aanwijzigingen kan de redactie niet geven.
Door de Vereenigbing werd een wandelleeraar benoemd; zijn instructie is ons niet bekend, (Zie Officieele Mededeeling), maar we vooronderstellen, dat de beantwoording van deze vragen ook tot zijn werkkring zal behooren. Hij heeft vele gegevens om de bijenweide eener omgeving te kennen en te oordeelen of deze te kort zou kunnen schieten. Zijn gevestigde opinie omtrent de bijenrassen, omtrent vasten en lossen bouw, omtrent 't model der kast zal hij mee kunnen deelen, daarbij heeft men niet te tobben, dat men met een handelaar of met
zijn agent te doen zou hebben. De wandelleeraar kan in dergelijke gevallen de verlangde voorlichting geven en zal voor velen dan ook een vraagbaak zijn.
Overigens, wij wezen er hier boven op, een deel der vragen werd in 't "Maandschrift" besproken. Zijn er leden, die uit eigen ondervinding cijfers kunnen meedeelen, 't zal zeker op prijs gesteld worden, als zij ze geven willen. Onder vele voorbeelden zal men er allicht vinden, die door nabij komende of zelfs gelijke toestanden dienstig kunnen zijn en die dan een nuttige aanwijzing kunnen opleveren.