OVERGENOMEN UIT "BEE-KEEPING",
van FRANK BENTON.
In 't Juninummer vermeldden wij de ontvangst der herziene uitgaaf van "Bee Keeping", het werkje van FRANK BENTON door 't Landbouw-Departement der Vereenigde Staten aangesteld voor onderzoekingen omtrent bijenteelt.
Dit is No. 59 van een reeks geschriften, die op 't landbouwbedrijf betrekking hebben en onder zeer gunstige omstandigheden worden uitgegeven. De heer BENTON is der zake kundig en kan over middelen beschikken, die maar weinigen ten dienste staan. Wij meenen dat, Oostenrijk-Hongarije uitgezonderd, er geen rijk is, waar de Regeering zoo hare belangstelling voor bijenteelt toont als de Vereenigde Staten. De bijenteelt met lossen bouw vindt in geen ander land zooveel aanwending, en als nu in deze herziene uitgave door ondervinding gewijzigde beschouwingen en verbeteringen voorkomen, dan vertrouwen wij, dat wij een goed werk doen met dat nieuwe hier te leeren kennen.
't Is onwaarschijnlijk, dat 't alles in onze omgeving zoo maar toegepast kan worden, maar een ervaren vakman zal er 't zijne uit weten te halen en kunnen gebruiken, wat hier de toestanden meebrengen. De nader behandelde of nieuw bijgevoegde gedeelten nemen wij hier achtereenvolgens over.
Bldz. 10. Het gevaar, dat in een bepaalde omgeving te veel bijen worden gehouden, overdrijft men dikwijls. Het spreekt, daarbij is een grens. De schrijver is echter na een lange ondervinding in verschillende en onder zeer uiteenloopende omstandigheden volkomen overtuigd, dat er drie- of viermaal meer volken, dan men gewoonlijk aanneemt, gehouden kunnen worden met betrekkelijk veel kans van voordeel. Maar om daartoe te komen, heeft men maar al te dikwijls te weinig zorg en nauwkeurige waarneming over bij 't uitkiezen der bijen, die voor plaats en toestanden passen.
Een fout, die meer voorkomt, is dat men te weinig aandacht schenkt aan de afzonderlijke volken, in 't bizonder niet let op den leeftijd en den aard der koninginnen. De ruimte voor 't broed is dikwijls te klein, en menigmaal wordt er niet op gelet om tijdig voldoend broed te hebben en zeker te zijn van een volk, klaar voor den oogst. Wanneer men rekening houdt met
't bovenstaande, zou een groot aantal bijentelers, die nu meenen, dat in hunne omgeving 50 tot 100 volken gehouden kunnen worden, er op een enkelen stand verscheidene honderden kunnen hebben, een kolonie zou dan dooreen genomen weinig of niet minder geven.
Bldz.12.De waarde van bijen bij de bestuiving van fruit en veldvruchten is dikwijls een voldoende reden ten gunste van een kleinen bijenstand, zelfs onder omstandigheden, waarbij men de gelegenheid mist om den grootsten honingoogst te winnen of om alle zwermen op te vangen. De hoedanigheid en de hoeveelheid van vele soorten appelen, peren, pruimen en klein fruit hangt geheel van een volkomen kruisbestuiving af. De honingbijen grijpen daarbij 't meeste in.
( wordt vervolgd)(aug. 1906)