BRIEVENBUS.
Koninginnewerk. De heer OTTEN vindt het stout om te beweren, dat de bijen de moerdoppen van eieren voorzien; de heer TUKKER heeft gezien dat de koningin het doet. Ik kan niet nalaten naar aanleiding van bovenstaand beweren, mijn eigen ondervinding van de maand Juni 1905 mede te deelen om hiermede te bewijzen, dat in weerwil van des heeren TUKKER'S zelf gezien er nog meer mogelijk is, nl. dat de koningin en de bijen beide eieren in de moederdoppen brengen, al naar het blijkt noodig te zijn.
30 Mei 1905 deed ik een kunstzwerm in een ledigen, ronden korf en 16 Juni had hij ruim drie kruizen werk en toonde lust tot zwermen. Ik zette hem daarom uit de rij en voorkwam hiermede vooreerst het zwermen; toen echter op 't laatst der maand de boekweit begon te bloeien kwam de zwermlust weer boven. Ik joeg daarom den zwerm af, nam er de koningin uit, zette ze in een kooi, waarna ik haar weer in den korf stak en de bijen er bij deed.
De zwermlust vertoonde zich door het zetten van kleine schelpjes en, in weerwil dat de koningin opgesloten was, werden ze volmaakt en twee werden gesloten en van een jonge koningin voorzien. Ik brak ze er uit en zie, eenige dagen later waren er wel 4 schelpen opgebouwd en van eieren voorzien. Nu nam ik de oude koningin weg en zette er een kooi met jonge koningin bij, die na eenige dagen losgelaten werd. Daarna brak ik er de doppen weer uit en nu blijven de onvolmaakte doppen, zooals ze waren, toen ik ze de jonge koningin gaf.
Mij dunkt reden genoeg om aan te nemen, dat ook de bijen de eieren der koningin in de doppen leggen.
H. J. VAN BERKUM. Prinsenhage, 7 Juli 1905.