VAN OVER DE GRENZEN.
Bekroningen der litteratuur op tentoonstellingen voor bijenteelt. Met bevreemding nemen wij kennis van 't onder dit opschrift voorkomende artikeltje in de "Leipziger Bienenzeitung" van October. Daarin vinden wij de volgende verklaring:
De Bond van Redacteuren van tijdschriften over bijenteelt in Duitschland, Oostenrijk-Hongarije spreekt zijn levendige teleurstelling uit over de geringschatting der litteratuur op tentoonstellingen voor bijenteelt, en protesteert met kracht tegen de minderwaardige bekroning. Wij weigeren daarom allen ons ten deel vallende onderscheidingen in den vorm van de minste medailles en diploma's.
Een vijftiental redacteuren onderteekenen die verklaring en wat ons nog meer verwonderd, de redacteur van de bij uitstek praktische "Leipziger", een blad, dat overal gelezen en geprezen wordt, sluit zich daarbij aan. 't Is gek, maar hij zegt: "Op de tentoonstellingen voor bijenteelt krijgt de litteratuur een plaats in de laatste groep en worden haar de minste prijzen toegekend. Met gouden en zilveren medailles van den staat en van vereenigingen, met hooge geldprijzen en kostbare kunstvoorwerpen wordt de mechanische arbeid beloond, maar geestesarbeid wordt niet gewaardeerd. En toch is 't de litteratuur over bijenteelt, die haar op zoo'n hoogen trap heeft gebracht." De heeren willen nu wezenlijk op zijn minst dezelfde prijzen hebben, die aan levende volken en honing worden gegeven.
Overwintering met of zonder suikervoedering. Het onderscheid tusschen de kolonies, welke in herfst 1904 al of niet met suiker gevoederd werden, was groot en den ganschen winter door kon men ze gemakkelijk uit elkander kennen. Die met suiker gevoederd waren, hielden zich uiterst rustig, ze lieten slechts een zacht gegons hooren; die niet gevoederd werden, waren uiterst onrustig, zoodat men reeds in den winter den buikloop kon voorspellen.
Die niet met suiker gevoederd waren, deden op 22 Februari eene zuiveringsvlucht, terwijl de gevoederden tot 11 Maart heel rustig binnen bleven. Bij de niet gevoederde heeft de buikloop groote verwoestingen aangericht, bovendien waren deze kolonies zeer zwak. In de andere daarentegen waren bijna geen doode te bemerken; zij ontwikkelden zich zeer snel. Ik heb ook bemerkt, dat de bijen zich zelven trachten te redden zoolang het mogelijk is. Bij de volken, die aan buikloop leden, was het duidelijk te zien, dat ze naar den lichten voorjaars- of zomerhoning gezocht hadden, terwijl de dennenhoning deels gezegeld, deels ongezegeld nog in de cellen was: zij kenden dus het gevaar en hadden den verderfelijken honing, zoolang er andere voorraad was, niet gebruikt.
Ook een wijze om te overwinteren vinden we beschreven en gewaarmerkt door de onderteekening van den inzender in "Der Deutsche Imker aus Böhmen" van Nov. nam.: Kort geleden bezocht ik een bijenteler in onze buurt, omdat ik gaarne zie hoe andere bijenhouders 't op hun stand aanleggen. O.a. deelde hij mij mee, dat zijn buurman een volk volgens de nieuwste methode had ingewinterd, maar met kerstmis ging 't al verloren. Natuurlijk was ik nieuwsgierig om te weten hoe dat ingewinterd werd en toen vertelde mij de vriend, dat zijn buurman 't vorig jaar in October een gemest haantje had geslacht en in honing bruin gebraden, in den bouw was een gat van passende grootte uitgesneden, de haan er ingestoken, en het volk voor de inwintering bezorgd, zooals reeds gezegd met kerstmis was 't met de overwintering klaar. En, werkelijk, 't bleek alles waar te zijn. Hij had 't in een landbouwcourant gelezen, en zeker de proef te laat genomen. Wat dunkt u daarvan?
Heidehoning voor den winter geeft in den "Elsass-Lotharingischer Bienen-Züchter" van Nov./Dec. tot de volgende opmerking aanleiding. Wat onze honingvogeltjes in 't voorjaar en 's zomers verzameld hadden, werd hun na de groote dracht door den bijenhouder ontnomen, dikwijls zooveel als maar mogelijk was, om al 't vaatwerk, dat klaar stond, met gouden nektar te vullen. Maar dan houdt in vele streken, als de linden gebloeid hebben en 't gras is afgemaaid, de dracht wel niet op, maar toch wordt ze heel schraal, en de leeggeslingerde raten blijven zonder honing totdat de heidebloempjes open gaan en onze bijen noodigen om uit hun kelken te drinken.
Nu is 't bekend, dat de heidehoning spoedig taai wordt, de bijen krijgen dorstnood, meestal overwinteren ze er slecht op en sterven niet zelden aan de roer. Waar de bijen op heidehoning moeten overwinteren, geeft men ze om 't volk voor die ziekte te behoeden en ze goed door den winter te brengen, kort voor 't inwinteren 1½ - 2 K.G. met dezelfde hoeveelheid water gekookte suiker. Daardoor is 't mogelijk aan den eenen kant, dat ze den al versuikerden honing oplossen, aan den anderen kant, dat ze tengevolge van late uitvluchten zonder roer door den winter komen.
Over de darren is het opschrift van een artikel, dat we in "De Bieënvriend" van October vinden, we lezen daar aan 't slot :
Als een kolonie de darren verdrijft, dan is 't een zeker teeken, dat ze eene goede koningin bezit en niet meer zwermen wil, maar niet, dat er geen voedersap is.
Even verkeerd is het van een darrenslachting te spreken. De darren worden niet doodgestoken, maar van de gevulde honingcellen weggedreven en medegesleept tot buiten de woning. Dat duurt zoolang tot de darren van honger sterven. Als er een hoop darren voor 't vlieggat ligt, laat er dan eens wat honing op druppen, en ge zult zien hoe de arme kerels er de tong naar uitsteken.