HISTORISCH.


Knorrig gestemd, kwam onlangs een mijner vrienden, een N.-Brabantsch ijmker, bij me en keef: Die bond werkt toch glad verkeerd, daar hebben we niks meer aan! Ik ben een beest, als ik niet bedank, de eerste vergadering de beste! . . .

„Kom vriend, dat meent ge toch niet; onze Vereeniging heeft veel in 't belang der Vaderlandsche bijenteelt gedaan en ik acht ze hoog. Maar wat scheelt er dan aan?”

-Wat er aan scheelt! Dat de bond te veel ijvert voor de eigenlijke teelt der bijen en weinig doet voor den verkoop der producten, voor verbetering van den honigprijs, enz. Wat voordeel brengt het mij of in Holland al meer bieboeren komen, als ik geen geld voor m'n honig krijgen kan? Zoo krijgen we steeds meer concurrenten. zonder afzet en 't wordt voor ons nog slimmer. En dat is nu niet mijn persoonlijke meening alleen, maar van tientallen van collega's met mij; men werkt te eenzijdig en niet in 't belang van de beroepsijmkers. Nu weet ge het! Dat is mijn grief!

„Hola, vriend! ge overdrijft en miskent het goede, door onze Vereeniging gesticht. Door 't bevorderen der bijenteelt in die streken, waar ze tot dusverre weinig gekend was, door tentoonstellingen en andere reclame-middelen, bewerkte de Vereeniging tevens de publieke opinie; zij deed kennen en waardeeren in wijder kring het ijmkersbedrijf en zijn product, den honig. Dat kwam allen Nederlandsche ijmkers, ook u, ten goede.”

-Maar de honig werd er toch niet duurder om. Hier in Brabant moeten we dien toch, evenals vroeger, à tout prix verkoopen. Neen, er moest veel meer gedaan worden voor den coöperatieven verkoop in 't groot. „Coöperatie is een levensvoorwaarde", heeft men ons reeds jaren geleden gezegd.

„Goed, maar men heeft hier toch ook aan coöperatie gedaan. Herinner u slechts de flinke bezending naar Duitschland in 1899 en later de oprichting der Coöperatieve Verkoop Vereeniging.”

-Met dien verkoop in Duitschland maakten we goed geld, dat is waar, maar wat is het verder geweest? . . . En de Coöperatieve Verkoop Vereeniging kan, naar ik hoor, dit jaar geen honig betrekken, wegens onvoldoenden afzet.

„Jammer genoeg, als dat zoo is; 't heeft anders, naar ik meen toch 'n paar jaren goed gegaan.
Overigens, dat geef ik u toe, staat het in onze provincie met den honighandel nog treurig geschapen. Met den hoed in de hand kan men 15 cent voor puiken, gebroken honig besommen. . . . A propos, maar hoe zout gij het dan willen?”

-Nummer een op mijn program: krachtige productiecoöperatie. Hoe ging het vroeger met onze boter? Bij den dorpswinkelier moesten we ze inruilen tegen waren, terwijl de winkelier zelf zoowel den prijs der boter, als der waren, willekeurig stelde. En nu wordt alles coöperatief bewerkt; de boter gaat naar de mijn, wordt grif verkocht en de boer krijgt contant geld in de hand.
Waarom zou dat met onzen honig ook niet kunnen? Het denkbeeld van den heer Stienstra in 't Novembernummer vind ik zeer goed. Een grote honigzeemerij, b.v. voor N.-Brabant en Limburg, de twee voorname imkerprovincies, maar dan met honigdepôts; honigdepôts of agenturen in alle steden en flinke dorpen!
Federatief samenwerkend, met de huidige Vereniging, zou ik wenschen: een vakvereeniging voor N.-Brabant en Limburg, (of voor elk afzonderlijk) naar 't voorbeeld van Boerenbond of Hanze, tevens onder leiding van een geestelijk adviseur.

„Waar vinden we intusschen den man, die voldoende belangstelling voor ons vak, met de toewijding en de energie van een pater van den Elzen of een Dr. Nolens in zich verenigt?. . .
En bij verwezenlijking van uw plan, zou toch ook overproductie kunnen komen. . . .”

-Zeker, maar niet zoo licht als thans. Bij inrichting en handhaving van zooveel depôts, waar steeds zuivere honig, onder waarborg der Ver. verkrijgbaar zou zijn, was m.i. een veel grooter gebruik en afname te verwachten, vooral wanneer aanvankelijk slechts matige prijzen werden gevraagd. Ook zou bij flinke organisatie, een centrale commissie voor verkoop, zich in verbinding kunnen stellen met solide firma's in ’t buitenland.

„Nu ik moet toegeven dat de grondlijnen van uw plan niet kwaad schijnen."

-Zooals ik zei, het is eenmaal mijn opinie, dat vóór alles verbetering in den honighandel moet komen. Voor 't overige is bereids genoeg gedaan. Met overleg en door samenwerking kunnen we er komen. Dat moet.

,,Accoord, maar bedank dan niet en ijver voor uw plan onder onze medeleden en vakgenooten."

-Dat zullen we beproeven! Gegroet, tot ziens!

W.A.OTTEN.