Uit de praktijk.
Opzetkastjes. Een opzetkastje op 'n ronden korf, zoo afgebeeld in ‘n prijscourant, 't lijkt zoo schoon, zoo aardig en gemakkelijk. De ijmker heeft slechts van tijd tot tijd den honing uit te nemen, die de bijen daarin heel netjes opbergen en dan weer opnieuw vullen.
Het plaatsen van zoo'n kastje geeft den bijen meer ruimte, het bevordert den luchttoevoer, voorkomt en beperkt wellicht ook daardoor nog den zwermlust. Enfin, het heeft zoo iets van toepassing van den mobielbouw in den ouderwetschen strookorf. Geleid door dergelijke overwegingen, wilde ik ook eens een proefje nemen en plaatste in den vorigen zomer, opzetkastjes op twee mijner beste volken. n.l. brandzwermen.
De spongaten in de korven waren ongeveer tien centimeter middellijn; de kastjes zoowat twee kubieke decimeter inhoud, voorzien van 'n klein kijkgaatje met gaas afgesloten, overigens geheel dicht. Toen de korven zoowat half waren volgebouwd, plaatste ik de korfjes bij goede dracht en warm weder.
Mooi passend, de oneffen plaatsen met werk aangevuld, werden ze op den korf bevestigd, vast en dicht, daarbij voldoende beschut voor regen en zonnestralen. Een kastje gaf ik geheel ledig, het andere voorzien van 'n paar stukjes natuurraat, gehecht aan de bovenzijde.
Spoedig zag ik de kastjes door de bijen geregeld bezocht: na veertien dagen nam ik ze eens af om te zien hoe het ging, doch de kastjes waren . . . . . leeg als te voren. Beneden in den korf hadden de bijen intusschen flink gewerkt.
Nog twee weken later, toen de korven al geheel volbouwd waren, vond ik de kastjes andermaal ledig en toch zag ik ze dagelijks door de bijen bezocht, misschien wel om 'n luchtje te scheppen, als een rentenier op zijn balkon.
De volken werden intusschen zwaar, zeer bevolkt en zwermlustig, maar ze vertikten 't om in de kastjes te werken! Alleen de paar stukjes raat in het eene kastje werden eindelijk vastgebouwd aan de raten in het spongat. Dat was alles; van honing geen spoor. Mijn proeven geheel mislukt ziende, moest ik de kastjes ten slotte verwijderen en de volken wegens zwermrijpheid gedeeltelijk afdrijven.
Een mijner vrienden, mijn mislukte kastjes tonend, zei me: “ik vernam van den heer N. (een ontwikkeld ijmker en voorman in onze vereeniging), dat ZEd. zijn opzetkastjes ook nooit gevuld kon krijgen." ......
Dat bracht me weinig verder, maar gaf me toch den troost, bij 't misvatten met opzetkastjes niet alleen te staan.
Intusschen - ik beken het gaarne - mijn werken was slechts een proeve, misschien ‘n gebrekkige proeve en mogelijk kan een of ander collega, die praktische resultaten met de mooie kastjes had, me mijn fout wel aanwijzen.
Zoo'n voorlichting zou me zeer verplichten en kwam mogelijk ook nog anderen ten goede.
W.A. OTTEN