BRIEVENBUS.


Er dreigt gevaar.
In het Maartnummer van het ,,Maandschrift" schrijft de heer van Brussel een stukje, getiteld "de bakens verzet." Indien het volkomen waar is, hetgeen hij schrijft, ziet het er voor onze korfijmkers uiterst treurig uit.
Inderdaad het is voor de ijmkers niet bemoedigend te lezen: dat in 1905 duizenden ponden van hunnen honing onverkocht bleven, dat de koekbakkers den Nederlandschen honing niet meer gebruiken, dat hij voor goede koek te slecht is, dat hij voor 'n geringe kwaliteit te duur is, dat in gewone koek geheel geen honing meer gebruikt wordt, dat de koekbakkers meer honing insloegen, dan zij in de eerste vijf jaren misschien zullen noodig hebben.
Zeker, als dat allemaal waar is, dan gaan wij een donkere toekomst tegemoet.

Hetgeen de heer van Brussel opsomt, zijn de woorden van onzen wandelleeraar, die ongeveer aldus op eene vergadering te Apeldoorn gesproken heeft, het kan dus niet anders, of het moet de waarheid zijn.
Het was mij, nadat ik het stukje eenige malen overgelezen had, niet mogelijk alles, wat door deze twee autoriteiten werd gezegd en geschreven, direct te aanvaarden. Ik ging als ijmker mijn lichten opsteken bij den grootsten vastenbouwijmker van ons land, een ijmker, die geregeld zomers 900 à 1000 stokken heeft.
Ik betuigde hem in de eerste plaats mijne deelneming en ik vroeg hem, wat hij nu dacht te doen met de duizenden ponden honing en was, nu de koekbakkers zijn honing niet meer gebruiken en zij daarenboven voor 5 jaren honing hebben. Ja, ik ging nog verder en ik wilde hem overhalen, kasten aan te schaffen en zijn korven te verbranden. Dezer dagen ontving ik een brief terug, een brief, die een lichtstraal is in de duisternis, niet alleen voor mij, maar waarschijnlijk voor vele ijmkers en daarom wil ik den inhoud gaarne mededeelen. Die ijmker schrijft mij: “Ik heb al mijn pershoning verkocht, evenzoo mijn was, de honing voldeed de koekbakkers zoo goed, dat ik meer kon verkoopen, dan ik oogstte. De vraag naar raathoning overtreft in de laatste jaren verre het aanbod. Tot heden ben ik nog niet genegen mijn ronde korven te verbranden.” Nu vraag ik mij af, als de ijmker er voordeel in ziet, waar
om kunnen andere ijmkers er niet evengoed profijt van trekken?

De brief kwam gelukkig juist bijtijds, om het aangelegde vuur, waarmee ik van plan was, mijn paar ronde korven te vernietigen, te dooven. De heer van Brussel eindigt immers zijn artikel “schaft u kasten aan en verbrandt uw korven.”
Meent de heer van Brussel dat heusch? Bedoelt hij het in figuurlijken of in letterlijken zin? En mag ik vragen op welke gronden? Toch niet enkel en alleen op de boven aangehaalde woorden van den wandelleeraar.
Ik hoop niet dat dit nummer verschijnt als het reeds te laat is, als reeds vele aan zijne roepstem gehoor gegeven hebben. Als het reeds te laat was! Wat dan?
In mijn verbeelding zie ik reeds eene groote schare korflooze ijmkers, trekkende over de rookende Veluwe, zich begevende naar de woning des heeren van Brussel, zeggende: zie, wij hebben onze immen, die wij jaren op jaren erfden van onze vaders verbrand volgens uwen raad, zeg ons, welke kast we thans moeten aanschaffen, opdat wij slinger en sectiehoning kunnen oogsten, waar zoo'n groote vraag naar is. En leer ons de verveling der donkere winterdagen verdrijven nu wij geen korven meer mogen vlechten. Timmeren hebben wij niet geleerd en het hout wordt duur betaald. Wat zal dan uw antwoord zijn?

Antwoord spoedig, voordat het te laat is, voordat vele ijmkers uwen raad opvolgen. U hebt toch uw antwoord klaar? Want het is onverantwoordelijk zoo iets reeds te verkondigen, als u niet in staat zijt er iets veel beters voor in de plaats te geven om de gemaakte wonde te heelen. En mag ik dan weten welke kast moet worden aangeschaft? Welke kast u voor oogen zweefde bij het schrijven van de onheilspellende woorden? Het is te verwachten, dat u nu eens de ijmkers in eens uit de moeilijkheid zult helpen en ons een kast verschaft, die spoedig het gemis aan de ronde korven zal doen vergeten. De ijmkers zelve mogen niet kiezen, want dan staan wij voor het feit, zooveel ijmkers, zooveel kasten. Een nationale kast, met een nationaal raam; want anders brengt u de ijmkers op de markten in de verlegenheid, deze wil die niet koopen, daar de ramen niet passen in zijn eigen kasten, enz. Neen, eenheid moet er zijn, maar daaraan hebt u natuurlijk al lang gedacht.

De bakens moeten verzet; ik ben het geheel met u eens. Maar ik zou ze alleen op een andere manier willen verzetten. Laten zij, die den mobielbouw willen invoeren, trachten het vertrouwen te winnen van de ijmkers, leer hen ijmkeren met ronde korven, zooals het behoort, want vele leggen zich; om maar iets te noemen, nog steeds toe op vele stokken zonder honing in plaats van op weinig stokken met veel honing. Zoo valt er nog veel te verbeteren en te leeren en dan zullen de ijmkers zelve de voordelen zien van den lossen bouw en er toe overgaan kasten aan te schaffen. Ze zullen zeggen: “kijk wij hebben al zooveel goeds geleerd, wij willen zijn raad opvolgen en het ook met kasten probeeren.'' Maar geduld, veel geduid is hierbij hoofdzaak. Ik vind het jammer dat in een vakblad, waarvan de meeste lezers korfijmkers zijn; zij worden voorgelicht op eene wijze, zooals u het doet. De meeste zijn toch niet goed te speken over den lossen bouw, maak ze er niet afkeerig van.

Er dreigt gevaar! Gevaar voor onze korfijmkers.

HANS MATTTHES.
Bijenstand "De Bij," Breukelen, Maart 1906.