Algemeene Vergadering der Vereeniging tot Bevordering der Bijenteelt

op 17 Mei 1936,

gehouden in het Gebouw voor Kunsten en wetenschappen te Utrecht.

Tegen 1 uur 's namiddags van den 17den Mei kwamen uit alle deelen van ons land, alleen Groningen was, meen ik, niet vertegenwoordigd, belangstellenden in bijenteelt in 't Gebouw van Kunsten en Wetenschappen te Utrecht te zamen.
't Gaf den indruk, of er een meer opgewekte stemming onder de aanwezigen heerschte, dan dit vroeger wel 't geval was geweest, of men meer voelde tot een vereeniging te behooren, waarin men samen werken wilde. Dat een bestuur, waarvan men den arbeid op prijs had gesteld, zou heen gaan, bracht er geen sombere stemming in - men wist, dat velen der leden weer een plaats voor hun werken zou aangewezen kunnen worden en zij, die onvermijdelijk heen zouden gaan, zouden toch als lid der Vereeniging zeker hun krachten blijven geven, een kern in onze Vereeniging vormen.

Aan de Bestuurstafel zaten de Voorzitter, Baron De Grancy, de Onder-Voorzitter Mr. A.C. van Daalen, de Commissarissen van Friesland en van Limburg, de Algemeene Secretaris-Penningmeester.
Een zeventien Afdeelingen, vooral uit Noord-Brabant, waar zich op dit oogenblik de meeste afdeelingen gevormd hebben, waren opgekomen en hare afgevaardigden vulden met de overige leden de zaal meer, dan wij nog op deze vergaderingen gezien hadden.
De Voorzitter wijst er bij 't openen der vergadering op, dat er een ander tijdperk voor onze Vereeniging is aangebroken, nu we onder nieuwe statuten zullen werken. Redelijker wijze kan daarvan meer verwacht worden, maar toch, we mochten zeggen dat onder de oude statuten niet zonder vrucht gewerkt was. Zij hadden tot deze nieuwe toestanden geleid, onze Vereeniging is, niettegenstaande allerlei moeilijkheden, tot groteren bloei gekomen, we konden vertrouwen, dat er een schitterende toekomst voor haar open ligt.

De notulen der vergadering van 9 Nov. l.l. worden door den Algemeenen Secretaris voorgelezen, daarna goedgekeurd; door den Voorzitter wordt met waardeering dank voor de samenstelling gebracht.
De lijst der vertegenwoordigde Afdeelingen, der vertegenwoordigers en van 't aantal stemmen, waarop zij recht hebben, wordt meegedeeld en vastgesteld. Vervolgens wordt kennis gegeven, dat de Commissarissen R. Dinger, C.J. Kneppelhout van Sterkenburg en F.C. van Brussel bericht hadden, dat zij verhinderd zijn om de vergadering bij te wonen.
Er zijn nog een tweetal voorstellen ingekomen, te laat om ze op de agenda te kunnen plaatsen, na afhandeling der punten in de agenda meegedeeld, zouden ze nog besproken kunnen worden.
Verder heeft de Afdeeling Leende een motie ingediend, die ongeveer luidt: dat de belangen der handelaren in producten der bijenteelt in strijd zijn met die der imkers, dat 't daarom gewenscht is, dat zij niet tot leden van 't Hoofdbestuur worden gekozen.

't Hoofdbestuur, dat geen advies wenscht uit te brengen, stelt voor, dat vóór tot punt 3 wordt overgegaan de vergadering zal beslissen of de motie in behandeling zal genomen worden, eerst omtrent de definitieve benoeming van den wandelleeraar te besluiten. Hiermede vereenigt zich de vergadering.
De Voorzitter deelt mede, dat de heer van Giersbergen 1 Juli van het vorig jaar zijn ambt aanvaarde, hij werd voorloopig voor een jaar aangesteld. De meeste leden hebben in dien tijd gelegenheid gehad om den heer van Giersbergen als leeraar te leeren kennen, de tijd is daar om tot een definitieve benoeming over te gaan.
Geen der aanwezigen vraagt hierover 't woord, evenmin wordt een stemming verlangd, zoodat de heer van Giersbergen zonder stemming definitief wordt aangesteld. De Voorzitter verheugt zich zeer over deze benoeming, daarvan zal mededeeling gedaan worden aan de Regeering en er zal zorg voor gedragen worden, dat door een levensverzekering in een pensioen wordt voorzien, dit laatste wordt verlangd.

In behandeling komt nu de motie der Afdeeling Leende. De afgevaardigde dezer Afdeeling zal geen nadere toelichting daarvan geven.
De heer Matthes wijst er op, dat een liefhebber, lid van 't Hoofdbestuur, toch op een gegeven oogenblik wel eens van zijn honing zou kunnen verkoopen. Zou hij dan als lid geroyeerd moeten worden?
De heer Netscher beweert, dat hij er moeilijk voor zou kunnen stemmen. Dat handelaren de meerderheid zouden hebben, kan niet gewenscht zijn, maar hun voorlichting zal menigen keer zeer op prijs worden gesteld.
De heer Heuff sluit zich hierbij aan en wijst er nog op hoe dit punt bij de oprichting van den Tuinbouwbond is besproken en van alle kanten werd bekeken.
De motie vindt geen steun in de vergadering. Toch verzoekt de heer Netscher stemming om tot eenige beslissing te komen.
Mr. van Daalen merkt nog op, dat 't daarbij de leden duidelijk moet zijn, dat men in de motie de handelaren niet wil uitsluiten, maar 't alleen gevonden wordt, dat 't minder gewenscht is, dat ze leden van 't Hoofdbestuur zijn.
De Voorzitter wijst er op, dat ieder lid in 't Hoofdbestuur zitting kan nemen, van uitsluiten kan geen sprake zijn.
Het resultaat der stemming is, dat de motie met overwegende meerderheid verworpen wordt.

Nu er tot verkiezing van 't Hoofdbestuur zal worden overgegaan, de heeren H. Beil en F.AUG. Kelting worden verzocht 't stembureau te vormen, maakt de Voorzitter de opmerking, dat er vele afdeelingen zijn, die wel candidaten hebben opgegeven, maar niet, zooals dat behoorde te zijn, voor welke betrekking men ze wenscht. Voorgesteld wordt om de namen der candidaten voor te lezen en vervolgens tot afzonderlíjke stemmingen voor de verschillende betrekkingen over te gaan.
De heer Esmeijer zou aan een verkiezing eerst van 5 leden, wier betrekkingen dan nader zouden worden aangewezen, de voorkeur geven.
Naar aanleiding daarvan nemen de heer Stienstra, de Voorzitter, de heer Heuff nog aan de besprekingen deel; de vergadering vereenigt zich met 't eerste voorstel.
De heer Netscher vraagt nu 't woord en wijst er op, dat in deze Vereeniging de tegenwoordige Voorzitter de aangewezen persoon is om die betrekking te blijven vervullen en stelt voor dat de vergadering daartoe met acclamatie besluiten zal.
De heer Matthes, de geheele vergadering steunt dit en met levendige instemming wordt daartoe besloten.
Twee vrije stemmingen en een herstemming wijzen den heer F. Netscher als tweede voorzitter aan.
Bij de eerste stemming voor de drie verdere leden van 't bestuur worden de heeren Mr. A.C. van Daalen en H. Stasse gekozen. Bij de tweede stemming wordt de heer N.A.F. Duijfhuijs Beinen te Frederiksoord benoemd.
De Voorzitter deelt nu mede, dat hij zich voorbehouden had om zijn benoeming aan te nemen, omdat zijn vele bezigheden het hem menigmaal moeilijk maken om de betrekking behoorlijk te vervullen. Voor de vleiende wijze, waarop de benoeming plaats had, is hij zeer dankbaar en nu hij ziet wie er met hem gekozen zijn, heeft hij vertrouwen, dat hij in hen een krachtigen steun zal vinden, waardoor de arbeid hem zeer verlicht zal worden, hij neemt dan ook gaarne de benoeming aan - een mededeeling, die door de aanwezigen met applaus wordt begroet.
De Voorzitter spreekt met waardeering over de leden van 't oude Hoofdbestuur, met wie hij onder dikwijls lang niet makkelijke omstandigheden werken mocht. Bijzondere dank wordt gebracht aan de heeren Dinger, Snellen, Kneppelhout van Sterkenburg, Tukker, van Brussel, Wilma, allen met wie hij aan de bestuurstafel gezeten was, blijft hij erkentelijk voor de ondervonden medewerking.
Het doet hem veel genoegen weer met de heeren van Daalen en Stassen samen te zullen zijn. Welkom zijn hem de heeren Netscher en Beijnen, die beiden getoond hebben zoo levendig belang in bijenteelt te stellen. Vertrouwd kan worden, dat de Vereeniging tot meerderen bloei gebracht zal kunnen worden.

Nu de agenda afgehandeld is, kan nog overgegaan worden tot bespreking van de voorstellen bij den aanvang der vergadering vermeld.
De afdeeling Noord- en Zuid-Holland wenscht de instelling van een commissie voor honing-controle.
De heer Netscher, afgevaardigde van die Afdeeling, licht het voorstel nader toe en wijst er o.a. op, dat we allen weten dat er veel vervalschte honing, ook vele honing-surrogaten in den handel voorkomen. Zeer had 't de aandacht getrokken dat een jamfabriek een product als honing verkocht, dat klaarblijkelijk geen honing was, zooiets moest toch tegengegaan worden! Zeker is 't dikwijls zeer moeielijk om stellig aan te toonen, dat honing vervalscht is, maar zulke grove vervalschingen zijn aan te wijzen, dat zou door publicatie bekend gemaakt kunnen worden.
De Voorzitter heeft met groote belangstelling van 't voorstel kennis genomen, de vervalsching van honing is al meermalen ter sprake gebracht, o.a. op 't Congres te 's Bosch in 1902, waar door Dr. Scherpenzeel een memorie werd ingediend, de vrucht van ernstige studie, die ook weer bevestigde hoe moeilijk het is vervalsching van honing aan te toonen. We moeten wel bedenken, dat in dit geval publicatie tot een gevaarlijken strijd kan leiden. Gewenscht zal 't zijn, dat door 't nieuwe Hoofdbestuur een commissie wordt benoemd, die aan dit punt hare aandacht wijdt.

De heer Beil voelt de meeste sympathie voor alles wat vervalschten honing en als honing verkochte surrogaten weren kan, wijst er ook nog op hoe kunstraat, die vervalscht is, er aanleiding toe kan geven, dat een imker vervalscht was verkoopt.
Mr. van Daalen oppert 't denkbeeld om toe te treden tot de Vereeniging tot bestrijding der kwakzalverij, daar zou steun gevonden worden en 't blaadje zou mogelijk vervalschingen kunnen publiceeren.
De Voorzitter heeft 't oog op Wageningen, waar 't contrôlebureau gelegenheid tot velerlei onderzoekingen geeft, de commissie zou kunnen trachten om zich daarmede in verbinding te stellen.
De heer Matthes zou den goeden honig willen aanbevelen, wat, zooals de Voorzitter opmerkt, nog meer moeilijkheden zou opleveren, dan 't aantoonen van honingvervalsching.
De heer Tukker erkent, dat 't onderzoek zeer moeilijk is, maar beweert dat men in Amerika, in den staat Ohio erachter is - naar de daar gevolgde wijze zou onderzoek gedaan kunnen worden.
De heer Netscher constateert, dat geen der aanwezigen 't denkbeeld bestrijdt, wordt de commissie benoemd, dan stelt de Afdeeling Noord- en Zuid-Holland f 75.- ter beschikking voor 't aangegeven doel.

De Voorzitter brengt nu ter tafel de indertijd door de vergadering te Enkhuizen uitgeschreven prijsvraag voor een werkje over honinggevende planten. Dit voorstel werd aangenomen toen hij de vergadering had moeten verlaten, nog onder den indruk dat het verworpen zou worden. Het Hoofdbestuur voelt weinig voor dit denkbeeld, heeft er dan ook nog geen werk van gemaakt - veel kan men hierover in onze vak-litteratuur vinden, in verschillende prijscouranten komen aanbiedingen voor van honinggevende planten, het Hoofdbestuur vindt het gewenscht er geen uitvoering aan te geven en de prijsvraag in te trekken.
Dit denkbeeld vindt warmen steun bij den heer Tukker - er zijn bloemen in overvloed, groote hoeveelheden honingsap worden niet door de bijen ingezameld - het geld is beter voor de bestrijding van honingvervalsching te gebruiken.
De vergadering vereenigt zich met het voorstel van 't Hoofdbestuur.

De aandacht werd er op gevestigd, dat uit Duitschland vervalschte honing wordt ingevoerd. Als honing is hij vrij van inkomend recht, maar een honingsurrogaat behoort onder de suikerhoudende stoffen. 't Nieuwe Hoofdbestuur kan hierop zijn aandacht vestigen.

De heer Matthes vraagt wanneer de nieuwe ledenlijst zal verschijnen? Een direct antwoord kan daarop niet gegeven worden, de Algemeene Secretaris veronderstelt, dat 't 1907 kan worden.

De heer Esmeijer klaagt over de slechte verzending van 't "Maandschrift". Persoonlijk heeft hij dat niet ondervonden, maar hem werden toch herhaaldelijk gevallen meegedeeld. Ook andere leden konden dit met verschillende voorbeelden staven, de een ontving niets of ongeregeld, de ander kreeg een paar nummers.
De Voorzitter zegt, dat steeds getracht wordt om de verzengdingslijst geregeld bij te houden, wat niet zoo gemakkelijk is. Zeer dikwijls zijn de leden er oorzaak van, doordat zij zwijgen, of klagen, waar men niet gehoord kan worden.
Dit wordt door den Algemeenen Secretaris bevestigd, die er met nadruk op wijst dat de secretarissen vóór den 10en van elke maand van iedere verandering kennis moeten geven. Dit laat maar al te veel te wenschen over; er zijn secretarissen die na 2 of 3 jaar eens iets van zich laten hooren. Dat een goede verzending nauw verband houdt met de goede zorg van den secretaris, bewijst de afdeeling Friesland. Van daar werden nog nimmer klachten ontvangen, maar ook de lijst der leden is daar correct in orde. Met den meesten klem wordt dan ook om tijdige opgave van nieuwe leden en van 't bedanken van leden verzocht.

Op een vraag van den heer Kelting deelt de Voorzitter mede, dat er dit jaar geen examen zal afgenomen worden, omdat er zich maar een candidaat had aangemeld.

Geen punten worden verder ter sprake gebracht; de Voorzitter sluit de vergadering.

J.C. Bosch, Wijk aan Zee, Mei 1906.