Smalbladige Basterdwederik.

(Wilgenroosje).
In den jaargang 1905 werd in no. 9 ,,Arabis alpina" in no. 10 de Lamsoor (Statice Limonium) besproken. Geleidelijk zien wij nu om ons heen allerlei planten voor den dag komen, de Basterd-Wederik (Epilobium angustifolium) ontwikkelt zijne stengels, ik wensch op deze plant, welke men het wilgenroosje zou kunnen noemen, de aandacht als bijenbloem te vestigen.

Zij komt hier voor op vochtigen zandgrond tusschen jong hakhout en vooral waar dennenbosch gerooid is. Blijkens een artikel in Root's "A.B.C. of Bee culture", wordt ze in Noord-Amerika als een belangrijke plant voor den bijenman gehouden. Ze verschijnt daar plotseling in groote menigte op de plaatsen waar boschbrand gewoed heeft, in Wisconsin, Minnesota, Michigan, Canada en Maine, heet ze daarom wel "fire-weed", d.i. brandkruid. De gewone naam is daar ,,willowherb", d.i. wilgenkruid, wat evenals wilgenroosje slaat op de lange, smalle bladeren. Het bovenste gedeelte van den meterhoogen stengel is helder rood gekleurd en draagt aan helder roode steeltjes licht paarse bloemen, wier lang onderstandig vruchtbeginsel en kelk eveneens rood zijn. Vandaar dat de bloeiende planten goed in 't oog vallen en "roosje" kunnen heeten.

De bloeitijd valt ongeveer van midden Juni tot midden Augustus, duurt dus lang en valt nooit tegen. Dit komt doordat aan een stengel eerst de onderste bloemen opengaan, vervolgens de hoog geplaatste, zoodat men aan dezelfde plant knoppen, bloemen en rijpe vruchten aantreft. Vele planten schieten onder ook nog zijstengels uit, die nog laat bloem dragen. De bloemen worden door de bijen van 't begin tot het einde van den bloeitijd van 's morgens tot 's avonds zeer druk bevlogen. 't Zoemt er steeds als op een bloeienden koolzaadakker. Of ze er veel van thuis brengen heb ik nooit geconstateerd.
Root zegt er van: "'t Wilgenroosje levert een menigte witten honing. Er is er bij, die zóó licht gekleurd is, dat hij feitelijk even klaar en vloeibaar is als water - en de smaak is eenvoudig heerlijk.
De heer Hutchinson noemt hem den blanksten en zoetsten honing dien hij ooit proefde. De kwaliteit, de niet falende oogst van jaar tot jaar, het feit, dat hij een overgang vormt van de linde en de klaver tot de heide, maken deze plant tot een der beste voor de bijen".

Voor de plantkundigen heeft de Epilobium nog eene eigenaardigheid, ze is n.l. evenals verscheidene andere protandrisch d.w.z. in ieder bloempje ontwikkelt zich de stamper eerst dan volkomen, als de meeldraden reeds verdord zijn, zoodat er geen stuifmeel van dezelfde bloem den stamper kan bevruchten. Zelfbestuiving is zoodoende voorkomen en kruisbestuiving alleen mogelijk gemaakt. Dit waarborgt volgens de geleerden krachtiger zaad.
Er zijn ook planten (b.v. Scrophularia), waarbij 't juist andersom is: In ééne bloem worden de meeldraden eerst rijp, als de stamper al bevrucht is. Die heeten protogynisch. Nu is ’t aardig; Epilobium wordt door bijen, Scrophularia door wespen bezocht. Bijen beginnen bij de onderste bloemen en gaan naar de hooger staande, wespen andersom van boven naar onder. Beginnen de bijen nu bij de onderste bloemen van eene plant, dan hebben ze net de hoogste bloemen (dus de jongste, waarvan de stamper nog niet, de meeldraden wel rijp waren) van eene andere plant verlaten, en brengen tusschen de haren dus van die rijpe meeldraden stuifmeel mee voor de stampers in de oudste bloemen van de nieuwe plant. De wespen doen net omgekeerd.
De Epilobium is zelfs de eerste plant waarbij deze ongelijke rijpheid der meeldraden en stampers, ten behoeve der kruisbestuiving werd ontdekt (in 1790 door Sprengel).

De lange vruchtbeginsels worden de vruchten, die met vier kleppen openspringen, waarna ze aan mooie pluisjes talrijke zaadjes laten vliegen. Deze worden ver door den wind mee gevoerd.
Wordt het hakhout of het jonge bosch grooter, dan verdwijnen de wilgenroosjes weer, want van schaduw houden ze niet.

Root zegt: “Alle pogingen om deze plant te kweeken buiten hare oorspronkelijke groeiplaatsen, bleken te mislukken."

L.L. Mertens.
"Heibloem", Heijthuijzen.