Van over de Grenzen.
Honig voor peperkoek. Volgens het verslag der zitting van 16 Nov. l.l. der ,,Société centrale d'Apiculture" werd daaromtrent 't volgende gezegd:
De heer Robert vraagt, naar aanleiding van de inkomende rechten, of de peperkoek-fabrikanten uit Dijon en andere plaatsen, geen buitenlandschen honig gebruiken. Volgens den heer Rousseray zeggen de fabrikanten, dat zij geen donkeren honig uit Chili, evenmin uit Europa bezigen. De blanke Fransche honig, zegt hij, is daar niet geschikt voor, daarmee rijst 't deeg niet goed. De honigsoorten uit Bretagne, bemerkt hij nog, zijn onmisbaar voor de fabrikanten. Als de inkomende rechten verhoogd werden, zou er niet meer blanke honig gebruikt worden; wat daarvoor noodig is, is dat we hem overal in de hoogte steken, hem op den voorgrond brengen, zooals men dat in Engeland doet, waar de honig bij 't theeuurtje (er wordt ,,five-o-clock" gezegd, maar zou niet 't ontbijt bedoeld zijn?( RED.) en elke andere gelegenheid opgediend wordt.
In Frankrijk doet men niets van dien aard. De heer Rousseray zegt nu, dat men honig van bepaalde merken zou kunnen verkrijgen door geurende planten in de buurt van bijenstallen te kweeken. Ons komt dit nu niet zoo zeker voor, ook niet praktisch. De heer Rousseray blijft bij zijne meening.
De heer Giard vestigt er de aandacht op, dat de Bretagner honig voor de bereiding van peperkoek bizondere hoedanigheden bezit, vooral die van 't deeg te doen rijzen, 't moet mogelijk en van belang zijn om de oorzaak daarvan te leeren kennen; waarschijnlijk is 't een eigenaardige giststof, die men zou kunnen bestudeeren. Men heeft in die richting ontdekkingen gedaan, 't is volstrekt niet onmogelijk.
Als gevolg van die besprekingen wordt er een commissie van vier leden benoemd om de vraag van het bereiden van peperkoek te bestudeeren en te onderzoeken of bepaalde honigsoorten voor die bereiding onmisbaar zijn en waarom, om vergelijkende proeven te nemen of te laten nemen met Franschen en met buitenlandschen honig, enz.
Raten met bijenbroed. We lezen daarover in de ,,Schweizerige Bienenzeitung," dat men in moerlooze volken een grooten voorraad pollen vindt en dat 't bedroevend is om aan te zien, dat er zoo weinig bijenhouders zijn die daarvan zooveel mogelijk voordeel weten te trekken. Men moet eens bedenken wat een werk 't is geweest om al dat pollen bij elkaar te halen, de hoeveelheid voedsel, die 't bevat, en dat in 't volgende voorjaar, als men die zorgvuldig tot 't nieuwe seizoen bewaarde, de bijen voor maar al te dikwijls doodelijke uitvluchten zou sparen.
Men moet ze in de kasten zelf bewaren, wat men op de volgende wijze doet: men verdeelt ze over de verschillende volken en plaatst ze niet midden in den wintertros, maar wat naar buiten. Als de kast voldoende geventileerd wordt, zal 't pollen er frisch in blijven, de bijen behoeven zich niet bloot te stellen aan de wintergrillen van 't voorjaar. Wezenlijk, 't is een groote fout van de bijentelers tegenover de bijen, die dan uit moeten vliegen om pollen te halen, men heeft geen voorstelling van hoeveel belang ’t is.
Uitslingeren van heidehoning. In "De Bie" van Januari lezen we:
Heidehoning is bepaald slingerbaar, ook voor sukkelaars. Om heidehoning uit ramen te slingeren is niets noodig dan een goede slinger en een stempelborstel. Om de raten uit korven te slingeren, zijn er nog korfjes noodig om de raten in den slinger vast te houden.
V. II. S.
In L'Apiculteur" van Januari vinden wij daarentegen, ontleend aan 't verslag der vergadering van de Sociëté Centrale d'Apiculture: Correspondentie. Brief van den heer Goulard, die een middel vraagt om heidehoning uit te slingeren, zonder de raten stuk te maken, dit middel is onbekend; 't gebruikelijke uitslingeren geeft een onvoldoende resultaat en de raten houden 't bij de daarvoor noodige snelheid niet uit. De heer Jungfleisch stelt voor om 't met een slinger te beproeven, waarin de raten plat liggen; ze zouden dan zeker meer weerstand bieden, maar zou de honing er uit gaan? De heer Girard wenscht de vraag aan de lezers van 't Maandschrift voor te leggen.
Dat doet de Redactie ook. Ze verwijst naar den vorigen jaargang en vraagt wat de praktijk daaromtrent nader geleerd heeft?