VAN OVER DE GRENZEN.

Het verkenningsvermogen van dieren.
Wij vinden daarover een bijdrage in den „Elsass-Lothringischer Bienenzüchter" van Nov./Dec., overgenomen uit de „Straszburger Post", waarin ook van de bijen wordt verteld.

In Straatsburg nam een student aardige proeven met bijen, ook met mieren. Hij nam bijen uit een kast, merkte ze en bracht ze in een gesloten doos naar een verwijderde plaats in de stad waar anders nooit geen bijen kwamen. Toen hij ze vliegen liet, wachtte een ander bij de kast en noteerde den tijd, dien de bijen noodig hadden om terug te keeren. En, zij verschenen allen na weinige minuten, zoo snel, dat ze dadelijk den kortsten weg moeten gevlogen hebben.
Opvallend was 't, hoe ze 't deden. Na 't verlaten van de doos vlogen zij in de richting van de lijn van een schroefdraad wat omhoog en sloegen dan dadelijk de richting van de eigen woning in, vóór dat zij ter hoogte gekomen waren van de daken der huizen, die de plaats omringden. Met de oogen konden zij die dus niet waarnemen, want ze lag verscholen. Zij werden uit alle mogelijke stegen der stad, waar anders nauwelijks bijen kunnen komen, los gelaten en vonden bijna altijd den weg terug, zoo lang de afstand een zekere maat niet overschreed. Werd de afstand echter grooter genomen, dan kwamen de bijen niet meer bij de woning terug, onverschillig of zij in de stad of daar buiten op landerijen, die in de omgeving lagen, werden vrij gelaten.

Bizonder van belang was 't feit, dat de bijen, die niet op de hoogte der te volgen richting konden komen, dadelijk, na eerst in de lucht in schroeflijn omhoog gevlogen te zijn, naar de doos terugsnelden.
Had men de doos geopend, als ze op een steen stond, en ze vervolgens weggenomen, dan verzamelden zich de bijen op den steen; had men ze met de armen uitgestrekt in de lucht geopend en daarna verwijderd, dan keerden de bijen op die plaats in de lucht terug en hielden zich daar zwevend staande.
Was nu echter de kast in den tuin op een andere duidelijke in 't oog vallende plaats gezet, dan keerden de bijen steeds op de oude plek terug, als bij 't honig halen, en vlogen daar langeren tijd rond, ofschoon zij de woning gemakkelijk hadden moeten vinden, als 't gezicht of reuk voor 't opzoeken van nut waren.

De proeven werden op zoo geheel verschillende wijzen genomen, dat ten slotte bleek, dat het verkenningsvermogen der bijen niet uitsluitend afhankelijk kan zijn van den gezicht- of reukzin. Hadden deze zintuigen ze geleid, dan hadden ze in vele gevallen doeltreffender moeten handelen. Hoe eigenlijk de plaats teruggevonden werd, was echter niet uit te maken, evenmin als dit tot nog toe mogelijk was bij trekvogels, postduiven, honden, katten, enz.