Iets over het inwinteren der bijen. (*1)
Daar men het algemeen nuttig acht de bijen in den winter zooveel mogelijk voor de koude te bewaren, en dit denkbeeld vooral bij eerst beginnende, maar zeker ook soms bij meer gevorderde bijenhouders tot ongewenschte behandeling kan leiden, acht ik het niet verkeerd hierover ééns een en ander te schrijven.
Ik heb mij eenige kastjes gemaakt, ongeveer zoo als de Hollandsche magazijnkast. Aan den onderkant van ieder magazijn heb ik een breede lijst geslagen, die dienst doet om ze onderling te bevestigen. Ik heb ze er wat ruim om heen gemaakt, om ze des te makkelijker op elkander te kunnen schuiven, en ze eveneens beter van elkander af te kunnen nemen. Ik nam ze breed, omdat ik daardoor telkens aan het onderste magazijn, ook als het afzonderlijk staat, zoo'n twee à drie vinger breede ruimte onder de raampjes over houd, en dus de bijen bij het volbouwen niet zoo dicht aan de plank zitten. De ruimte, die hierdoor ontstaat is natuurlijk vrij groot, omdat de lijsten er omheen geslagen zijn, en dus de omtrek nog een plankdikte grooter wordt dan het eigenlijke kastje. En omdat een houten kast mij kouder lijkt dan een strookorf, ging ik die onderste ruimte aanvullen met een daarin passend stuk ijmslar.(*2) Eerst merkte ik niet zoo dat het verkeerd was, maar den vorigen winter pakte het anders uit. Ik had bij vergissing vergeten in de eene het larretje te doen, en wat bleek nu in 't voorjaar? Juist die ik vergeten had, was oneindig beter dan de andere. Zij had nog een groote hoeveelheid honig en ook een groot aantal gezonde bijen. De andere hadden weinig honig meer, het vlieggat was erg bevuild en er was maar een klein hoopje bijen aanwezig. Een groot deel lag er dood onder en bovendien zaten er een menigte dood tusschen de raten. Zij waren als 't ware geheel verwaterd. Ik had ook in andere korven, die mij wat lang van stuk leken, hoewel ze zeer ver waren volgebouwd, maar toch door de groote inhoud mij te koud schenen, eveneens een stukje ijmslar gedaan, die bleeken bijna allen de minste in volk te zijn en ook bijna allen hadden het vlieggat bevuild.
Nog nimmer heb ik zoo duidelijk geleerd, dat het verkeerd is de bijen te dicht in te stoppen. Ze lijden daarvan veel meer dan van de koude.
Ik heb eens gezien, dat een nalatig bijenhouder zijn korven in een erg verwaarloosden stal, en zelfs bij zeer strenge koude, met niets anders dan een oude dakpan gedekt op de plank had staan. Het gruwde mij, toen ik het zag. De stal stond naar het zuidoosten gekeerd en de koude oostenwind kon er flink door blazen. Op 't laatst ging hij echter nog aan het werk en legde er eenige bossen stroo op, met wat steenen en pannen voor 't afwaaien. En toch bleek in 't voorjaar, dat ze zeer goed door den winter waren gekomen.
Nu heb ik mijn bijtjes echter te lief, om ze maar zoo aan de felle koude prijs te geven. Ik dek ze dan ook nog altijd zachtjes toe, maar ik zorg er in 't vervolg voor, dat de korven niet te dicht op de plank worden geplakt, zoodat ze van onderen goed kunnen uitwasemen. Ik zorg tevens, dat er tusschen de raten en de plank zoo'n 2 à 3 vinger breede ruimte blijft voor luchtverversching.
Een larretje er in te stoppen is juist niet verkeerd, als de korf niet meer dan half vol is, en er dus tusschen de lar en de plank nog ongeveer 'n handbreed ruimte blijft, zoodat de waterdamp en de bedorven lucht er kunnen doortrekken.
Een bijenhouder hier dicht in de buurt, die boogkorven heeft, gaat altijd zoo te werk en neemt de raten, die niet door de bijen worden bezet, er uit. Eerst plaatste hij het verkleinplankje er in, vulde de overgebleven ruimte aan met larren en dekte ook de korven dicht met hetzelfde materiaal. Doch telkens bleek, dat de bijen te benauwd zaten en er te veel waterdamp in den korf bleef. Hij zet nu niet eens het plankje er in, laat de door de weggenomen raten ontstane ruimte onaangevuld, bedekt de korven slechts met een enkele ijmslar, en ze overwinteren uitstekend. Voor goed bevolkte korven is het niet verkeerd ze wat ruimte te laten.
Nu houd ik er echter wel van om de bijen behoorlijk warm te houden, als men maar zorgt voor een droge standplaats en versche lucht. Als het mij niet te duur was, dan zou ik mijn bijen op de volgende manier inwinteren:
Ik zou een stal maken, liefst van steenen opgebouwd, met beschoten dak er over. Van voren voorzien van deuren of luiken, die zoo dicht sloten, dat de bijen er evengoed tegen de koude winden waren beschut alsof ze binnenshuis stonden. Men kon de korven dan gerust een weinig van de plank lichten, door drie of vier stukjes hout van een paar millimeter dikte onder den rand te plaatsen, zoodat ze voldoende konden uitwasemen, en het vlieggat wijd open laten. Ik geloof, dat ze dan even gezond bleven als in den zomer. Zij zouden dan van een tamelijk fellen vorst weinig meer merken dan in een open stal van een gewonen nachtvorst. Wel zou het daar wel eens wat sterker vriezen, dan met een nachtvorst buiten, maar, doordat de wind niet in den stal kon blazen en dus de koude niet door de korfwanden kon dringen, zouden de bijen er weinig van bespeuren. Bij zeer strenge koude kon men ze dan nog wel een weinig bedekken, maar meestal zou dat geheel overbodig zijn. Bij zacht weer kon men dan de deuren of luiken open zetten en ze bij slecht weer gaan sluiten. In het voorjaar kon men ze naar verkiezing geheel weg nemen.
F. DE VRIES.
(*1) Deze bijdrage voor het Decembernummer moest toen ter zijde gelegd worden. Red.
(*2) De schrijver van dit artikel gebruikt een woord »ijmslar", in 't Groninger dialect «iemslar", en geeft daarvan een nadere verklaring. In stilstaande sloten ziet men dikwijls een helder groenen, zeer fijn verdeelden, als saamgeweven plantengroei. Wordt zoo'n sloot in een jaar of drie niet schoon gemaakt, dan wordt dat een dichtere massa, die men met een zeis of dergelijk gereedschap langs de kaaien los kan maken en in vierkante lappen verdeelen. Is de sloot nu 's zomers nagenoeg droog, dan kan men die lappen er goed uitlichten en verder laten droogen. Ze vormen dan als 't ware een fijn, maar toch luchtig, poreus tapijt of deken, en zijn een prachtige bedekking voor bijenkorven, welke in die streken daarvoor gebruikt wordt. Red.