De bijen in April.
April is voor de bijen een gevaarlijke maand. Een helder zonnetje lokt ze vaak naar buiten, als ze plotseling overvallen worden door een regenbui of zelfs door sneeuw om niet weer in de woning terug te keeren. Het instinkt schijnt hier de bij in den steek te laten. Als de ijmker zulk weer kan voorzien, verdient het aanbeveling, door het aanbrengen van ijzer- of kopergaas voor de vlieggaten, den bijen het uitvliegen te beletten. Overigens laat men de vlieggaten nog klein blijven om rooverij te voorkomen. Worden de volken sterker, dan kan men de vlieggaten langzamerhand vergrooten.
Indien roof plaats heeft, wat merkbaar is aan de gevechten die voor het vlieggat plaats hebben, en dit ontstaat niet door moerloosheid, zoo kan men door het aanbrengen van een buisje van vlierhout in het vlieggat dit zoo verkleinen, dat er slechts passage is voor eene enkele bij. Helpt dit niet voldoende, dan zette men het aangevallen volk een paar dagen op een donkere plaats, zoodat de roovers hun doel missen.
Er zijn nog altijd ijmkers, die erop uit zijn hun bijen rooverswerk te doen verrichten, indien men althans mag gelooven, de gesprekken, welke men aanhoort op ijmkers-vergaderingen. Afgezien nog van het onzedelijke van zulk een handelwijze, zij hier vermeld, dat een volk van roof levende, een slecht volk is, want eenmaal dit zoete genot kennende, keert het niet weer tot de gewone orde terug. Er is dus dubbel aanleiding om rooverij te voorkomen.
Komt de rooverij van elders, zoo kan men een vangkorf plaatsen, dat is een ledige korf met wat honig, waarvan het vlieggat zoodanig is ingericht, dat de bijen er wel in, maar niet weer uit kunnen. Hebben de ijmkers hier last van rooverij, dan storten ze wat beer voor den stand om door den sterken geur de roovers tegen te houden.
Om dezen tijd hebben de bijen veel honig noodig en men overtuige zich, dat er voldoende voorraad is en indien dit niet het geval is, vulle men aan. Het is niet zoo gemakkelijk voor den beginner om den honigvoorraad bij vasten bouw te herkennen, het gewicht is hier de eenige aanwijzing. Daarom schaffe hij zich een veerbalans of unster aan, waaraan de korf opgehangen wordt, zoodat hij het juiste gewicht ieder oogenblik kan te weten komen. Men denke er hierbij wel aan, dat vooral wat later in den tijd, de korven zwaar van broed kunnen zijn.
Wil men beginnen, met de bijen aan te zetten, dan moet het goed weder wezen, anders prikkelt men ze om uit te vliegen, waarvan groot verlies aan volk het gevolg kan zijn.
In streken met vroegen dracht kan men al spoedig met het aanzetten beginnen, toch zij men niet te vroeg en beginne eerst als de bladeren van den kruisbes tot volle ontwikkeling zijn gekomen. Men voert dan speculatief. In den aanvang geeft men tweemaal per week 2 à 3 lepels pershonig. Later doet men dit om den anderen dag. Eenmaal hiermede begonnen, dient men er mede voort te gaan, tot de eerste zwerm van het volk is afgegaan. Elken avond worden de voederbakjes geplaatst en 's morgens vroeg weder verwijderd. In den eersten tijd geeft men ook wel twee deelen water met één deel honig, een week later half om half en weer een paar weken later 2 deelen honig tegen een deel water. Dagelijks geeft men dan 1/8 L. tot het volk aanzienlijk in getalsterkte is toegenomen of tot de hoofddracht daar is. Ook wordt de honig wel gemengd met eieren of melk gegeven. Het laatste mengsel maakt de bijen, naar de verklaring van een oud-ijmker, minder steeklustig, gemakkelijker te behandelen. Men zij thans niet te snel met het inkorten van het werk. Hoogstens verwijdere men de schimmelende stukken en darrenraat.
De losse bouw ijmker kan door het wegnemen van broedraten aan sterke volken en door deze te hangen in de woningen van zwakke, zijn volken gelijk van sterkte maken en er zoo voor zorgen, dat de ontwikkeling der volken gelijken tred houdt.
Ook kan hij zoo handelen met honigraten. Blijkt bij onderzoek, dat de broedruimte te klein is, zoo moet deze door het inhangen van raampjes met ledige raat worden uitgebreid. Zoo moet hij ook handelen, als de bijen alle raampjes hebben bezet. Indien dan geen raampjes met raat aanwezig zijn, zoo geve men er met kunstraat, wat beter is dan ledige raampjes. Deze raampjes, één of twee in getal, brenge men tusschen de andere in de nabijheid van het broednest.
Eind April, begin Mei is de tijd van reizen naar de koolzaadvelden of lage weilanden. April de maand, om zich bijen aan te schaffen.
En hiermede wenschen wij, nu het bijenleven weer in vollen gang is, den ijmkers veel succes met hunne volken.
H. Stienstra.