Het droge werk.
(Vervolg van het verwerken der producten. febr. en mrt.)
Ten slotte rest ons de beschrijving der bewerking van het droge werk tot was.
De droge raat heeft allang op bewerking gewacht, reeds vertoont zich de groene penseelschimmel op de stukken, maar het moest wachten tot de honigraat geheel van honig bevrijd was om deze bewerking achtereenvolgens te kunnen verrichten, zonder deze door ander werk te moeten onderbreken.
't Is wel niet erg als in de raat nog wat honig voorkomt, want er bestaat geen gevaar, dat de was met honig wordt verontreinigd; het omgekeerde kan, zooals wij zagen, maar al te goed het geval zijn, als men bij het warm persen de massa te warm neemt.
Om de ledige raat en het droge werk tot was te verwerken, is in de eerste plaats een flinke kookpot noodig. Deze pot wordt eerst voor een deel met water gevuld en hierin komt de raat. De pot wordt gestookt en langzamerhand begint het was te smelten, nu wordt het tijd om op te passen. Er komen stroomingen van beneden naar boven en groote bellen breken zich baan door de bovenste waslaag. Door te roeren houdt men de massa in bedwang, anders zou het was opzetten en over den pot heenkoken.
De temperatuur is thans tot ruim 90 graden Celcius gestegen.
De pers heeft men warm gemaakt door deze met kokend water te begieten, de perszak bevindt zich in een emmer met kokend water. Alles is gereed. Het heet nu snel en zonder aarzeling te werken.
Eén grijpt den perszak, de handen beschermd door een paar stukken doek, houdt deze in de pers en nummer twee giet met een emmer de kokende was in den zak. Is de zak vol, dan wordt deze vlug met een wrong gesloten en gaat de persbalk naar beneden. Weldra is de zak voor een deel ledig en kan men nog eens vullen.
Het was loopt eerst snel, daarna langzamer door den uitloop en wordt opgevangen in een vat of bak met zuiver water. Spoedig wordt het was hieruit verwijderd en komt in een ander vat met zuiver water. Door om te roeren zorgt men er voor, dat het was niet aan groote stukken stolt, eigenlijk mogen de wasstukjes niet grooter zijn dan een roggekorrel. Zijn de stukjes zoo groot als een eikel, dan heeft men met het uitwasschen groote moeite, hoe kleiner de stukjes zijn, des te zuiverder kan het uitwasschen geschieden en dit heeft veel waarde bij het opsmelten en gieten.
Om het was mooi te krijgen, moet ze worden gebleekt. Daartoe legt men ze buiten op groote schoone kleeden. Bij regenachtig weer zal het regenwater het vuil wegspoelen en de zuurstof der lucht het was bleeken.
Er zijn nog wel andere wijzen, waarop het wassmelten geschiedt. De kokende massa wordt in een zak gedaan en op een breede plank gelegd, die hellend geplaatst is in een vat, waarin was en water loopen. Twee personen, rollen een rond stuk hout over den zak, die telkens omgekeerd wordt, terwijl een derde er kokend water op giet. Dit duurt zoolang, als er zich wasdeeltjes vertoonen.
Nog een andere manier om was te smelten, is de volgende. In een grooten ketel doet men een zak, gevuld met ruwe, fijngewreven was. Onder in den ketel een houten deksel of een stuk van een mand om aanbranden te voorkomen. De ketel, gevuld met water, komt boven het vuur. Tegen dat het water kookt, komt het was boven en wordt afgeschept, men heeft er slechts voor te zorgen, dat de zak met zijn inhoud niet boven komt drijven.
Keeren we thans tot onze pers terug. In den perszak blijft een vezelige massa achter, die nog vrij wat waarde bezit, blijkens aanbiedingen van fabrikanten, die wasaarde verwerken; voor de hier beschreven werkwijze hebben ze geen waarde meer.
Is eindelijk de geheele massa door den perszak gegaan en zuiver gewasschen, dan komt de moeilijke taak van het opsmelten en gieten. Weer wordt de kookpot deels met zuiver water gevuld en hierop komt vervolgens het was. Zoodra de was de zooeven beschreven borreling vertoont, wordt in de kokende massa een fijne zeef geplaatst, het best is een zeef te gebruiken, die de mazen aan den zijwand heeft en een gesloten bodem. Het was stolt eerst een weinig rondom de zeef, maar spoedig is deze zoo warm, dat de was door de mazen dringt en is ze met zuivere was gevuld. Het vuil blijft buiten de zeef, niettegenstaande de vele wasschingen, ziet men nu hoe vuil nog het onopgesmolten was is.
De vorm staat gereed, deze is, al naar de hoogte er van, meer of minder diep met kokend water gevuld. Met een lepel giet men hierop het gezeefde was tot de vorm gevuld is. Het was moet nu nog in zijn geheel vloeibaar zijn.
Spoedig vertoont zich op de oppervlakte eenig schuim, dat zuiver afgeschept wordt. Nu wordt de vorm met een zak of anderszins toegedekt en laat men zeer langzaam afkoelen, er voor zorgende, dat het was niet in beroering wordt gebracht; de minste schudding veroorzaakt barsting, omdat dan reeds een deel van het was gestold is en het daaronder gelegene nog niet.
Mooie bodems verkrijgt men vooral als het stollende was omgeven is door langzaam afkoelend warm water, dat zich rondom den vorm bevindt. Neemt men de bodems te dik, dan vertoont zich in het midden een inzinking en ontstaat dus een holle en een bolle zijde. Hoofdzaak blijft de langzame afkoeling en het volkomen onbewegelijk houden van het stollende was. Is het stollen afgeloopen, dan vertoont zich op het benedenvlak nog een ruwe lichtbruine massa, die met zorg verwijderd wordt.
Dit jaar hadden we nog een interessante proef. We hadden 138 pond droog werk, na het persen bleef hiervan 78 pond was over. Deze 78 pond werd eenige malen gewasschen en daarna opgesmolten en in vorm gegoten, waarna er 60 pond zuivere was verkregen was. De 138 pond droge, oude raat leverde dus 60 pond zuivere was. We merken hierbij op, dat van 138 pond door de bijen pas gebouwde raat, zeker ook 138 pond zuivere was zou verkregen zijn, terwijl een even groot gewicht zwarte raat, 4 à 5 jaar oud, waar men met een mes haast niet door den wand kan komen, niet meer dan een pond of 8 gesmolten was zou geven.
De raat bovenbedoeld, is, zooals die gemiddeld in korven voorkomt, welke uitgebroken worden. Men kan rekenen, dat van 100 K.G. korfinhoud omstreeks 5 K.G. zuivere was verkregen wordt.
We zijn hiermede op het einde gekomen van het verwerken der producten en stellen ons voor nog een artikel te geven, waarin getallen zullen worden genoemd. Men moet nu niet meenen, dat deze verhandeling geschreven is om aan te geven zooals het moet gebeuren, hier is slechts beschreven hoe hier de producten worden verwerkt.
Wie op deze wijze van doen aanmerkingen heeft, of volgens andere methodes werkt, kan in het Maandschrift dit onder de aandacht der ijmkers brengen, die er dan zeker wel hun voordeel mede zullen doen.
H. Stienstra.