Bij den IJmker op bezoek.
Het is het begin van de Lente en het schijnt of het weder ons hierop attent wil maken en reclame op dit van ouds zoo zeer geprezen jaargetijde. Het mooie weder lokt ons uit, evenals de bijen en wij maken langs hobbelende wegen, nu en dan bijna in het zand steken blijvend, een fietstochtje naar eene ijmkerij. Wij bevinden ons midden in de nog zwarte heide, thans nog niets vermogende, maar toch zoo vele malen het beloofde land voor onze bijen. Hier bloeide de ijmkerij reeds van oudsher, met het verdwijnen van de boekweit taant thans dit bedrijf, we willen hopen om na langer of korter tijd weer krachtig naar voren te treden.
De ijmker, naar wien wij ons thans begeven, is iemand, die reeds een tiental jaren werkt met Gravenhorster boogkorven, en die voordien vaste bouw dreef.
Uit het gesprek, dat wij met hem voerden, willen wij hier het een en ander mededeelen.
Voor een tiental jaren erop gewezen, dat het ijmkeren met losse bouw veel meer voordeelen geeft, dan dat met losse, werd begonnen met Gravenhorster boogkorven, welke door eigen handen werden vervaardigd.
Ze gemaakt aan te schaffen kwam te duur. Het vlechten der korven is evenwel een niet gemakkelijk werk. Het komt vooral op de handen aan, die door het harde riet wond getrokken worden.
Thans worden de korven gekocht zonder raampjes en wel tegen den zeer lagen prijs van f 1.— per stuk. De raampjes worden zelf gemaakt. Hiervoor worden genomen vurenhouten, halfduims planken, zooveel mogelijk vrij van kwasten (noesten), want daar zouden ze bij het ombuigen gemakkelijk breken. Het vervaardigen der korven willen we hier niet bespreken; we wijzen nog op twee dingen. De korf moet boven niet te plat zijn, maar rond, anders schiet er te veel ruimte over tusschen raampje en wand, zoodat de bijen om de raampjes heen bouwen en de raat aan den korfwand vast maken. Zoo is het ook met het latje voor den boogjesafscheider, is dit te dik, dan werken de bijen de raat aan den kopwand vast. Dit zijn dus een paar practische wenken, voor hem, die Gravenhorster boogkorven vlecht.
Elken korf komt bedoelde persoon met werkloon en alles meegerekend en dus zonder den korf zelf te vlechten, op nog geen twee gulden het stuk. Het zijn korven voor 12 raampjes, waarvan een paar honderd aanwezig waren. Door het slechte honigjaar van 1907 waren er slechts 60 opzetters, die alle in gezonden toestand verkeerden, oordeelende naar de wijze waarop de bijen voorspeelden.
In den aanvang werd in den herfst de ledige ruimte tusschen het scheidingsplankje en den wand opgevuld, maar in de laatste jaren werd dit, als niet noodig, nagelaten. Het voeren, zoo noodig, werd gedaan door het inhangen van honigraampjes, overgehouden van het voorgaande jaar. Indien hieraan gebrek was, werden aan volken met voldoenden voorraad raampjes ontnomen en gevoegd bij honigarme.
De eerste twee jaren, nadat met lossen bouw was begonnen, werd er over gedacht dit niet voort te zetten, omdat het product toch niet verkocht kon worden naar waarde. Als immers, wat de losse bouw oplevert, geperst wordt, dan kan men veel beter met de goedkoopere, vaste bouw werken.
Het derde jaar kwam hierin echter verandering en van toen was er een uitweg voor den honig. Hier vertoont zich weer dezelfde leemte, die ik al meermalen opmerkte en die hoe langer hoe meer op den voorgrond zal treden, n.l. het aan den man brengen van den opbrengst. De persoon alleen is hier niets. Coöperatie is het middel. Gezamenlijk krijgt men kracht en ontstaat het vermogen om goede uitwegen voor zijn product te zoeken.
Daar alleen de heide hier honigbron is, moet op andere wijze naar een andere bron gezocht worden. En dit noodzaakt tot reizen. Reeds sinds jaren gaan de overwinterde bijen omstreeks Mei naar de prov. Groningen, en wel naar de gemeente Aduard, dorp den Ham. Daar vinden de bijen eerst de paardenbloem en later koolzaad. De koolzaadverbouw vermindert in die buurt, maar ook zonder dit gewas vinden de bijen er bij goed weer het noodige in de weilanden, vooral van de witte klaver. Het koolzaad honigt, als voor andere bloemen de temperatuur reeds te laag is, de witte klaver geeft overvloedig bij flinke warmte. Hier raken de bijen aan het zwermen, en omdat het niet mogelijk is steeds aanwezig te zijn, worden de zwermen van de korven genomen en wel op de volgende wijze.
Uit het zwermrijpe volk worden alle raampjes genomen en de bijen in den nieuwen korf geveegd, daarna worden de raampjes van den ouden korf, over dezen en den nieuwen verdeeld en zoo geplaatst, dat tusschen twee volle raampjes steeds een ledig komt. Daarna wordt de oude korf op dezelfde plaats gezet en de nieuwe elders.
De oude korf is thans zonder koningin, ontvangt de terugvliegende oude bijen en bezit broed, ook koninginnecellen, zoodat hier spoedig een jonge koningin is. De zwerm bestaat uit een eierleggende koningin, broed en jonge bijen. In den eersten tijd ziet zoo’n volk er niet best uit, maar bij den dag komen er vliegbijen en als het weer goed is, is alles spoedig in orde. Nazwermen komen er natuurlijk ook. Om hiervan zooveel mogelijk partij te trekken, wordt steeds getracht kleine volkjes met bevruchte koninginnen te hebben om hiermede met eenige nazwermen een nieuw volk te maken. Is het weder goed, dan heeft men weinig moeite, maar bij slecht weder valt het wel eens moeilijk om alles naar behooren uit te voeren.
Het doel van het reizen is, om sterke volken te hebben, die op de heide vet moeten worden.
Omstreeks begin Augustus, al naar den toestand, wordt de terugreis aanvaard. Waren bij het vertrek, behalve het afsluiten met bijendoek, geen bijzonder te nemen maatregelen noodig, thans moeten al die raten, welke niet tot aan het onderste dwarslatje reiken, door latjes worden gestut. Het reizen geschiedt per bijenwagen op veeren. Op de heenreis kunnen ongeveer 75 volken worden medegenomen, op de terugreis 45, 's avonds gaat men op weg en 12 uren later is men ter plaatse.
Zoo'n bijenwagen bestaat eenvoudig uit een planken bodem op veeren, die op het onderdeel van een gewonen wagen kan geplaatst worden.
Wij nemen hier afscheid met het voornemen, een andermaal eens elders op bezoek te gaan.
H. Stienstra.