Van over de grenzen.


De Westfalische Bienen-Zeitung maakt melding van een spaarvolk, waaruit voor ons ijmkers wel wat te leeren valt.
Dit volk verbruikte in 1906 in de maand Sept. 1850 gram honig, in Oct. 430, in Nov. 450, in Dec. 350, het volgende jaar in Jan. 350, Febr. 500, Maart 1550 en van l tot 9 April 600 gram. Dat is een totaal verbruik van ruim 6 K.G.
Dit is voorwaar wel een spaarvolk te noemen, daar het verbruik in denzelfden tijd ook wel 12 K.G. en meer kan bedragen.
Dit volk had in 1907 een driejarige koningin, toch zwermde het niet. Aan het eind der dracht had het 31 K.G. honig opgebracht en kon het met 10 K.G. worden opgezet. Zoo'n volk bezit uitnemende eigenschappen.
Is men in het bezit van een volk met dergelijke eigenschappen, dan is het wel zaak te trachten er uit voort te telen. Deze cijfers leeren ons ook, hoe in den winter het honigverbruik daalt om met het toenemen der warmte sterk te rijzen. Er blijkt dus wel uit, dat men thans, zoo het noodig is, niet karig moet zijn met voeren en dat wel in stijgende mate tot er voldoende dracht is.
Hetzelfde blad schrijft, dat het radikale middel tegen zwermen hierin bestaat, dat men aan een volk het broed ontneemt.

In de Pfälzer Bienen-Zeitung lees ik ook iets overhet honigverbruik in den winter:
respectievelijk wordt het gemiddeld verbruik genoemd in Nov., Dec., Jan., Febr., Maart, alsmede het totaalgebruik;
gedurende 10 jaren: 710, 688, 966, 1291, 2064, 5709 gram.
Winter van 1906-1907: 534, 580, 693, 940, 1705, 4452 gram.
Minder gebruik winter 1906-1907: 176, 108, 263, 351, 359, 1257 gram.
Waaruit de conclusie wordt getrokken dat bijen in koude winters minder opteren dan in zachte winters. Dit is hieraan toe te schrijven, dat bij grootere koude de bijen dichter opeen gaan zitten en daardoor minder warmte verliezen, en geen arbeid verrichten.
Soms vindt men op den bodemplank geheel afgezonderd van andere doode bijen, enkele doode liggen. Dit moet worden toegeschreven aan den tegennatuurlijken bouw der kast.
In Berlepsch kasten komt het voor dat de bijen het winterkwartier verdeeld opslaan. Sommige voor, andere achter.
De bijen moeten de honigmassa boven zich hebben. Daarom voldoen hooge en betrekkelijk smalle raampjes het best. De bijen teren het gemakkelijkst omhoog.
Ook wij beamen dit. Beschouwt men het volk als één geheel, dan kan men spreken van een bijenlichaam. Men kan zich dan zeer goed voorstellen, hoe dit lichaam gedurende den winter langzaam naar boven stijgt, waar de honigvoorraad is opgeslagen. Het volk behoeft zich niet gedurende den winter te verplaatsen om voedsel te vinden. Is daarentegen de voorraad meer verdeeld, dan kan het zeer goed voorkomen dat een volk van honger omkomt, niettegenstaande voldoende voorraad aanwezig is.
Men kan zich ook voorstellen, dat de verplaatsing van voren naar achteren, van links naar rechts of omgekeerd, plaats heeft en dat dus betrekkelijk lage, maar lange raampjes denzelfden dienst doen als smalle, hooge. Evenwel is het stijgen naar boven meer natuurlijk, omdat de warme lucht naar boven stijgt.

Van uit Amerika, het land der wonderen, komt het bericht, dat het den groot-ijmker E.W. Alexander, gelukt is meerdere eierleggende koninginnen bij één volk te hebben. Het ligt voor de hand dat daardoor spoedig zeer sterke volken kunnen verkregen worden. Twee kunnen meer dan een. Reeds meerdere ijmkers hebben beproefd volken met twee of meer koninginnen te hebben, maar dit lukte alleen als de koninginnen door een rooster waren gescheiden, terwijl de bijen niet gescheiden waren.
Alexander echter gelukte het bij één volk meerdere eierleggende koninginnen in vrede te doen samenleven en te doen samenwerken van l Mei tot 20 Oct. Volken dus over te winteren mislukte tot heden. Het schijnt dat de koninginnen gedurende den rusttijd elkander toch niet meer verdragen en er geen rust is vóór slechts één is overgebleven.

Het raadsel om meerdere koninginnen bij één volk te hebben, lost Alexander als volgt op.
In de eerste plaats maakt hij een kastje van 12 à 15 c.M. in het kubiek, met eene opening van 1½ c.M. middellijn. Gewapend met dit kastje en een koninginnekooitje gaat het nu naar het volk, dat men van plan is meerdere koninginnen te geven.
De raampjes worden uit den stok genomen. De koningin komt in het kooitje en pl.m. ½ liter bijen komen in het kastje.
Het volk krijgt alleen honigraten, alle broed blijft er uit. Het kastje met bijen heeft aan een der zijden een wand grootendeels van ijzergaas. De opening van 1½ c.M. is gesloten. Deze bijen zijn onrustig, omdat ze geene koningin hebben. Men plaatst het kooitje zoodanig boven een schotel met warmen honig, dat ze deze door het gaas kunnen bemachtigen. Zoo laat men ze 5 uren staan. In dien tijd zuigen ze zich vol honig. Nu laat men door de opening meerdere, b.v. 5 koninginnen, met de oude in het kooitje loopen, vooraf heeft men door een schok, de bijen naar den tegengestelden kant der opening gedreven.
Volgezogen als ze zijn, letten ze niet op het abnormale van 5 koninginnen bij één volk en ondertusschen houdt men ze tot zonsondergang bezig met warmen honig op te zuigen. Nu gaat men naar het volk, dat de koninginnen zal ontvangen. Deze bijen worden ook sterk gevoerd en nat gespoten met denzelfden honig, als die aan de bijen in het. kastje is gevoerd.
Men verwijdert eenige raampjes uit het groote volk en zet in de vrijgekomen ruimte het kastje, zonder deksel, de opening is gesloten. De bijen en de koninginnen verlaten nu door deze groote opening het kastje en loopen tegen de raten op. Den volgenden morgen bezit het volk 5 eierleggende koninginnen, in korten tijd zijn de cellen voorzien van eieren. Men neemt hiervoor weinig steeklustige, zwakke volken bij sterken dracht. Hoofdzakelijk bij deze handeling is dus, de bijen in den toestand van moer- en broedloosheid te brengen, zoodat een sterk begeeren naar eene koningin ontstaat. De bijen worden sterk gevoerd en zijn dus weinig steeklustig. De verschillende koninginnen bezitten één reuk.
Bij het vereenigen met het groote volk, moet niet van het kastje de kleine opening worden geopend, dan zou een deel in het kastje achter blijven met koninginnen, die bij latere vereeniging zouden worden afgestoken.
De ondervinding leerde, dat bijen met meerdere koninginnen; weinig zwermlustig waren en dat men zoodoende zeer sterke volken kreeg. Wie er lust toe heeft, moet het dezen zomer maar eens beproeven.
H. Stienstra.