Bijenziekten. - Lezing van den Heer van Giersbergen.

Het vuil- of rotbroed - ook wel bijenbroedput genoemd,
gewestelijk het slimbroed, en het rot der bijen.


Iets te vertellen over het voorkomen en het verloop van den loop of de roer der bijen gaat nog, dat heeft reden; aangezien deze ziekte in ons land voorkomt, maar eene lezing te houden over het vuilbroed, over eene bijenziekte, die slechts een paar malen in ons land voorkwam, zal moeilijker gaan. Van loop of roer heb 'k veel gezien en gehoord; maar wat het gevaarlijke rotbroed betreft is mijne ervaring bijna geheel nul.

Ofschoon het vuilbroed in ons land niet voorkomt, tenminste hoogst zeldzaam, en dan nog slechts, wanneer het uit den vreemde wordt aangevoerd, meende het Hoofd Bestuur onzer vereeniging het toch gewenscht, dat er eens iets over gezegd werd, omdat het aanschaffen van buitenlandsch materiaal toeneemt in ons land. Dat aanvoeren zal nog wel erger worden, als de eenigszins hoogere honigopbrengst der Italiaansche koninginnen wat meer algemeen bekend wordt. Zoo bevatte de Veldbode dezer dagen een bericht van de actieve Afdeeling Zuid-Beveland, dat zij eenige Italiaansche koninginnen gezamelijk zouden aanschaffen.
Ik meen mijn vrees voor den invoer van vreemde koninginnen te mogen uitdrukken, omdat in buitenlandsche tijdschriften advertenties voorkomen, waarin naakte heidevolken en bevruchte koninginnen aangeboden worden, met de verzekering erbij „vuilbroed vrij". Men zal hier te lande nimmer een volk hooren verkoopen met de bepaling „vuilbroed vrij", omdat deze ziekte hier gelukkig onbekend is.

Wij zullen het beste hopen van dien invoer voor onze vaderlandsche bijenteelt. Aangezien deze ziekte bij geen uwer bekend is, hoogstens bij een of twee, acht ik mij verplicht in de eerste plaats eene beschrijving er van te moeten geven, teneinde u eenigszins een voorstelling ervan te doen vormen. Gaarne had ik een stuk vuilbroedige raat, die ontsmet was, medegebracht, doch ik heb ze niet, en met den besten wil ter wereld zou ik ook geen gelegenheid zien een stukje te bemachtigen. En had ik ze, en al ware zij ontsmet, dan nog zou ik mij wel tienmaal bedenken, alvorens ik er toe overging, want den vorige zomer weigerde de postbeambte aan een Duitsch postkantoor een pakket, waarin vuilbroedvrije raat was verpakt, uit gevaar voor besmetting.

Omdat ik niets in natura kan laten zien, heb ik mijn toevlucht tot platen en plaatjes moeten nemen, om er eenigszins een beeld van te geven.
Deze gevaarlijke en besmettelijke ziekte is reeds van ouds bekend. De schrijvers Aristoteles, Plinius en andere vermeldden haar reeds. In Duitschland is deze ziekte reeds meer dan 300 jaren bekend. Nicol Jacob de Schleziër schreef in 1601 in zijn grondige en nuttige onderrichtinge over de bijen „als men te veel rookt of men Jacobi te veel honig ontneemt aan den korf, zoo sterven de jonge bijen in de cellen en geven een peststank van zich af, doordat zij niet meer verzorgd worden. Zij steken met dezen stank den geheelen korf aan."

Na dien tijd zijn er nog verschillende schrijvers geweest, die deze bijenziekte in den breede beschreven hebben. De schrijvers van de vorige eeuw, de heeren Lucas, Schirack, Spitzner en Christ vermeldden ook reeds de groote besmettelijkheid en de groote verliezen, door het vuilbroed geleden. Lucas verloor in 5 jaren tijds door het vuilbroed ruim 100 volken.
Ook onze Clutius kende reeds dit gevaar. Dat het vuilbroed in dien tijd zulke groote afmetingen aannam en zulke gevolgen na zich sleepte, zal wel aan het onbekend zijn met de ware oorzaak geweten moeten worden.
Genoemde schrijvers weten de schuld van deze ziekte aan verschillende oorzaken, die nu, door de betere wetenschappelijke werktuigen, vooral het microscoop, opgehelderd zijn.
Als oorzaken dachten die schrijvers:
1o. het berooken der bijen met vuil lindenhout;
2o. vuile tonnenhonig voeren;
3o. de reuk van doode bijen;
4o. honger;
5o. droge en onvruchtbare lucht.
Reider, een dier oude schrijvers beweert, dat het ontstaan van vuilbroed moest toegeschreven worden aan ongezond voedsel, en Christ, dat de koningin de schuld der ziekte is.
Deze voormannen der Bijenteelt hebben ten deele toch wel goed opgemerkt.
De roer of de loop hebben wij als eene acute of snel verloopende ziekte der volwassen bij leeren kennen.
Het vuilbroed daarentegen is eene chronische of sleepende ziekte van de nog onvolwassen bij, dus van de made en larve, en daardoor dus ook van de kolonie.

Waaraan is oppervlakkig het vuilbroed kenbaar?
Het broed van een gezonde bijenkolonie behoort gesloten te zijn; dit wil zeggen, alle cellen met broed naast elkaar ongeveer even oud. Dus men kan geheele platen of koeken met verzegeld broed aanschaffen. Hier en daar mag in zoo'n broedschijf een celletje ledig of met stuifmeel gevuld zijn; maar overigens alle aan elkaar sluitend.
Een vuilbroedige raat daarentegen vertoont een geheel anderen aanblik. Zoo'n aangetaste raat mist totaal die regelmatigheid. Het is gewoonweg een warboel. De moer legt haar eieren in cirkels, uitgaande van het middelpunt. Deze eieren worden een 10-tal dagen later verzegeld en behooren dus ook in cirkels verzegeld te worden, om na 21 dagen ook in dien vorm uit te loopen. Bij het voorkomen van het vuilbroed blijven een partij cellen, die zeer verspreid zijn, dicht om nimmer eene jonge bij uit te laten.

Van gezond broed zijn de deksels donker bruingeel, welke steeds iets donkerder worden. De cellen, die een verrotte larve of een aangetaste made bevatten, zijn donkerder van kleur, zelfs bijna zwart. Het celdeksel valt in, en de bijen probeeren het celdeksel weg te bijten om de cel te zuiveren; doch zoodra zij een klein gaatje daarin gemaakt hebben, komt de vieze, naar zweet, ranzige boter en guile vischlijm stinkende stank ze tegen. De bijen staken het openbijten der cellen en zoo blijven een groot gedeelte met ingevallen deksel, waarin een klein gaatje, den geheelen zomer staan.
(Wordt vervolgd).

L. van Giersbergen