Koninginneteelt.


Door verschillende oorzaken komt het nog al eens voor, dat een volk zijn koningin verliest, moerloos wordt. Zoolang er eitjes of jong broed (niet ouder dan 3 dagen) voorhanden zijn, kan een volk nog weer een koningin telen ; ondertusschen staat de eierlage geruimen tijd stil. Ook als men ontdekt, dat een volk moerloos is, kan men door het inhangen van een raampje met eitjes of jong broed het volk weer een koningin teruggeven, doordat dit uit eenige eitjes of broed weer meerdere koninginnen zal telen, om daarvan een te behouden.
Dit laatste is weer een voordeel van de losse bouw; maar ook de vaste-bouw-ijmker heeft zijn middelen om ingetreden moerloosheid te herstellen. Hij zal dit echter minder gemakkelijk kunnen doen; evenmin als hij in staat is het feit der moerloosheid met zooveel zekerheid vast te stellen of zoo spoedig te weten als de losse-bouw-ijmker.

Hoe dit ook zij, ieder is wel hiervan overtuigd, dat het van belang is er reserve-koninginnen op na te houden, om in den tijd als er geen broed is een moerloos geworden volk weer van een koningin te kunnen voorzien, of om in den tijd, dat er wel broed is, dit euvel sneller te herstellen dan boven aangegeven is.
Uit deze behoefte heeft zich de koninginneteelt ontwikkeld, die thans ook om verschillende andere redenen, vooral in 't buitenland sterk gedreven wordt.
De eenvoudigste manier om reserve-koninginnen te hebben is wel, dat men in kleine kastjes nazwermpjes bewaard, om zoo na eenigen tijd over bevruchte koninginnen te kunnen beschikken. Dit is echter geen koninginneteelt. Wat meer in die richting is 't volgende: Men ontneemt aan een krachtig volk werkbijen-raat met bijen en een koninginnecel en plaatst die in een kastje met nog een broedraat en bijen en een raampje met voorraad, zonder koningin. Een paar dagen zet men dit kastje op een donkere plaats om te zorgen, dat de bijen niet weer naar het oude volk terug vliegen.

Deze manier van doen komt op 't zelfde neer als de voorgaande, 't Verschil is, dat in 't eerste geval een uitgeloopen en in 't tweede geval een koningin-in-wording genomen wordt. Beide is natuurlijk slechts in toepassing te brengen, als het in den zwermtijd is. Wanneer bij deze twee gevallen er op gelet wordt, dat de koninginnen van uitstekende volken afkomstig zijn, dan zal, dunkt me, op deze handelwijzen niet veel aan te merken wezen en men er goede koninginnen door kunnen bekomen.
Een meer directe wijze van koninginneteelt volgt thans, maar deze manier verdient geen aanbeveling.

In een klein kastje plaatst men een raampje met open broed, benevens de noodige bijen, om het broed te kunnen bezetten; verder nog een raampje bezet met bijen en een raampje met den noodigen voorraad. Zoo krijgt men een volkje zonder koningin, dat men een tijdlang zoo plaatst, dat het zijn volk behoudt. Zoodra de bijen weten dat ze moerloos zijn, beginnen ze koninginnecellen te maken. Hierin worden jonge koninginnen geteeld, uit den aanwezigen voorraad. De voeding zal dus niet overvloedig wezen en men kan op deze wijze geen krachtige koninginnen bekomen.

Beter is het dan als volgt te handelen: Een sterk volk met uitstekende eigenschappen wordt flink gevoerd; zoodra het goed in broed zit en veel jonge bijen heeft, kan men een werkbijraat midden in het broednest plaatsen. De koningin zal deze raat spoedig bezet hebben met eitjes. Nu neemt men deze raat uit het volk, snijdt ze in tweeën, zoodat een heele rij cellen met eitjes langs de snijlijn liggen, keert men het afgesneden stuk om, dan heeft men ook daar een rij cellen met eitjes, dit stuk raat plaatst men iets lager of op een andere wijze, en zet het weer in het broednest. Het is goed de eitjes om het andere te verwijderen en zoo plaats te geven voor het maken der hulpcellen. Nu ontneemt men aan het volk de koningin, die men afzonderlijk met wat bijen en voorraad in een klein kastje plaatst, om ze zoo noodig te kunnen gebruiken.
Het thans moerlooze volk, dat nog steeds wordt gevoerd met vloeibaar voedsel, zal nu twee rijen hulpcellen bouwen, om weer een koningin machtig te worden; maar door den overvloed waarin het verkeert, zal het getal hulpcellen ook overvloedig wezen.
Deze hulpcellen kunnen, zoodra ze verzegeld zijn, dienen om met een aantal broedbijen, uitloopend broed en eenigen voorraad, volkjes te vormen, die opgesloten worden in kleine kastjes, welke gewoonlijk drie of vier raampjes bevatten. Een der cellen laat men natuurlijk in het moedervolk achter, opdat dit ook een koningin aan het hoofd heeft.

Wanneer men de kleine volkjes vormt met andere bijen, dan die van het moedervolk, dient men eerst de koninginnecel te beveiligen tegen de ingebrachte bijen, en het dus zoo in te richten, dat ze niet bij de cel kunnen komen. Na een paar dagen zijn de bijen er aan gewend.
Het zeer verzwakte moedervolk kan door het inhangen van broedraten, zoo men dit wenscht, worden versterkt.

Het is natuurlijk, dat men thans niet alleen bezorgd moet zijn voor jonge koninginnen, maar ook voor het hebben van darren, teneinde bevruchte koninginnen te kunnen verkrijgen. Wanneer men nu alleen let op uitstekende eigenschappen van het volk, waarvan de koninginnen afkomstig zijn, dan doet men zijn werk nog slechts ten halve. Het volk, dat darren zal leveren moet evenzeer die eigenschappen bezitten, welke men van een volk verlangt.
Daar de natuur ons geleerd heeft, dat men over het algemeen bij de bevruchting door kruising beter resultaten verkrijgt, dan bij teelt in bloedverwantschap, zal men de darren bij een ander volk telen, dan dat waarin men de koninginnen teelt. Tevens kan men er op letten, dat deze twee volken zoo weinig mogelijk in afkomst gemeen hebben.
Om tijdig darren te hebben moet men ongeveer drie weken voordat met de koninginneteelt begonnen wordt, reeds zijn maatregelen hiervoor nemen. Daartoe plaatst men in een volk, dat door voedering sterk geprikkeld is, te midden van het broednest een raampje met darrencellen Wanneer de darren beginnen uit te loopen kan begonnen worden met de teelt der koninginnen.

Heeft men nu aan de koninginneteelt niets meer, dan dat men zoo dit noodig is een moerloos volk van een koningin kan voorzien ? Zeker wel!
Verschillende gevallen zijn er te noemen, waarin het in voorraad hebben van bevruchte koninginnen voordeelig is. Behalve nog dat men er het middel door bezit om zijn stand in een bepaalde richting te voeren.
Wenscht men zich b.v. op zwermteelt toe te leggen, dan moet men de beschreven operatie in een bij uitstek zwermlustig volk uitvoeren, dat men als zoodanig van het voorgaande jaar kent. Wenscht men sectiebouwers, dan doet men zijn keuze bij een volk, dat dit werk bij uitnemendheid verstaat.
Dit is geen theorie, maar blijkt uit de praktijk Zoo spreekt men ook van een goede koningin enz., en beoordeelt hiermede het werken van het geheele volk.

Om nu nog een voorbeeld te noemen van het voordeel dat in koninginneteelt gelegen is, het volgende:
Gesteld men heeft een uitstekend volk, zooals men gaarne al zijn volken van den stand zou willen hebben. Hierin teelt men op de omschreven wijze 12 koninginnen, waarmede men, voor de zwermtijd daar is, volkjes maakt in zijn gewone kasten, ingesloten door scheiplankjes. Deze volkjes worden door het inhangen van broed steeds versterkt. Daardoor kan men het zwermen van andere volken beletten, want niets gaat het zwermen zoo tegen als het wegnemen van broed. Op die wijze kan men twaalf sterke volken bekomen van de gewenschte soort. Hierbij is alleen gedacht aan het belang om de twaalf volken te krijgen, maar niet van dat der volken, waaraan broed is ontnomen, dan dat men hiervan het zwermen gedeeltelijk belet.

Enfin, het getal voorbeelden om het nut van koninginneteelt te betogen is voor uitbreiding zeer zeker vatbaar; maar dit laten wij aan den lezer over. Dit is nu gemakkelijk om er zich af te maken; maar misschien kan het ook oorzaak zijn, dat een der lezers of lezeressen, welke koninginneteelt drijft uit de practijk, zijn of haar bevinding erover gaat mededeelen.
De hoofdzaken der koninginneteelt zijn als volgt samen te vatten:
1. Het volk, waaruit men teelt, moet de individueele eigenschappen bezitten, welke men in zijn stand wenscht.
2. Voor de teelt moeten eitjes worden genomen of maden niet ouder dan 1½ dag, daar deze wel drie dagen hetzelfde voedsel ontvangen als de koninginnemaden, maar de laatste 36 uren veel minder.
3. De koninginnen worden geteeld in volken, die op den hoogsten trap van ontwikkeling zijn, dus die veel jonge bijen en uitloopend broed bezitten.
4. De beste koninginnen teelt men van half Mei tot half Juli in zwermrijpe volken, die men bij slecht weer voert.
5. Men begint eerst als er darren komen.
6. In de woning moet voldoende warmte heerschen, wat bij een klein volk nooit het geval is. Ook dient de vochtigheids-toestand gunstig te wezen.

Het is mogelijk gebleken om kleine volkjes met bevruchte koninginnen door den winter te krijgen. Daartoe worden deze volkjes half September flink met suiker gevoerd, die ze ook voldoende opleggen. Wordt het kouder, dan brengt men ze in een kelder geheel donker, na ze eerst op gewicht te hebben onderzocht. Hier blijven ze staan tot half April, waarna men ze op een mooien dag naar buiten brengt in den stand, waar ze dan direct kunnen uitvliegen en aan het werk gaan.
(Wordt vervolgd).

H. Stienstra.