Eigendomsrecht op bijenzwermen.
Met genoegen kunnen we den leden onzer Vereeniging voor Bijenteelt in Nederland mededeelen, dat de heer A.J. Hildebrandt, aan velen onzer ijmkers wel bekend, doordat hij het voorgaande jaar den heer van Giersbergen op diens lezingen een tijdlang heeft vergezeld, is gepromoveerd cum laude (met lof) tot Doctor in de rechtswetenschap op een proefschrift getiteld „Eigendomsrecht op Bijenzwermen beschouwd in verband met het eigendomsrecht op dieren in het algemeen".
Wij weten niet hoe Mr. A.J. Hildebrandt er toe gekomen is, een onderwerp uit de bijenteelt te kiezen, om te promoveeren; maar hoe dit ook zij, wij zijn er Mr. Hildebrandt dankbaar voor, dat hij op deze wijze de zaak der Bijen naar voren heeft gebracht.
Bij voorkomende rechtskwesties, die de bijenteelt betreffen, weten we nu tot wien ons te wenden en is Mr. Hildebrandt de aangewezen persoon deze tot oplossing te brengen. Zijn proefschrift moge ook aan de regeering den stoot geven om het bijenrecht in ons land wettelijk te regelen, omdat op dit gebied niet veel meer dan het gewoonterecht bestaat en bij de uitbreiding, die de bijenteelt ondergaat tot kwesties aanleiding kan geven. Vooral is het noodig, dat door wettelijke regeling, de bijenteelt van de regeering die bescherming ontvangt, welke noodig is om zich te handhaven tegenover de zware concurrentie van kunsthonig en vervalsching.
Het proefschrift van Mr. Hildebrandt is een lijvig boekdeel, waarvan de inhoud maar niet zoo gemakkelijk is weer te geven. Bovendien is er heel wat geleerdheid voor noodig om alles goed te vatten. Het aantal bronnen, die Mr. H. heeft moeten doorsnuffelen is zeer talrijk en vereischte veel taalkennis. Om zich een recht begrip van de zaak te vormen was bovendien een indringen noodig in de wetenschap der zoölogie (dierkunde).
Zoo ik het goed begrepen heb is ten allen tijde de hoofdvraag geweest, of men de bijen moet rekenen tot de wilde dieren of tot de tamme, deze onderscheiding meer in den zin van niet of al huisdieren. In den loop der tijden is deze zaak feitelijk nooit tot klaarheid kunnen komen, en bleef het daarom steeds een hinken op twee gedachten. Mr. Hildebrandt in zijn conclusie neemt aan, dat de bij huisdier is, dus tot de juridisch tamme dieren moet gerekend worden.
Dit aangenomen zijnde, blijft een zwerm steeds eigendom van den houder van het volk, van wien de zwerm afkomstig is.
Om practische redenen is Mr. H. er voor, dat de termijn van dit eigendomsrecht op bijv. 2 dagen of langer gesteld wordt, zoodat een afgevlogen zwerm gedurende twee of meer dagen het eigendom blijft van den ijmker, uit wiens stand hij afkomstig is en deze den zwerm, bij voldoende bewijs van eigendom, kan terugvorderen, al is hij door een ander geschept.
Enkele beschrijvingen van vroegere voorschriften en wettelijke bepalingen mogen hier volgen.
Op bladz. 169 wordt gesproken over het identiteitsbewijs, d.i. het bewijs, dat de zwerm van de persoon afkomstig is, die er eigenaar van beweert te wezen. Hiervoor bestond hier en daar de eed of het getuigenbewijs. Een groote moeilijkheid natuurlijk. Om hieraan tegemoet te komen, werd veelal gevorderd, dat de komst van een zwerm luide aangekondigd werd door het leven maken op zeisen, om den buren kenbaar te maken, dat de bijen zwermden. Elders diende als bewijs het volgende:
Wanneer zich een zwerm op het eigendom van een ander had neergezet en de ijmker kwam, die beweerde eigenaar er van te wezen, dan werd een doosje vol bijen van den tros genomen. Hiermede ging men naar den stand van hem, die beweerde, dat het zijn zwerm was. Deze moest dan eerst het volk aanwijzen, waarvan de zwerm afkomstig was, daarna werden de bijen losgelaten uit het doosje, nadat ze eerst met krijt of meel waren bepoederd, vlogen nu deze bijen naar den aangewezen korf, zoo was het identiteitsbewijs geleverd.
Elders schijnt het geluid maken op zeisen tijdens het zwermen ten doel gehad te hebben de zwermen te bezweren, opdat ze niet weg zouden vliegen. Zoo ook luidde men de klokken om booze geesten op een afstand te houden. Ook werden tijdens het zwermen formules opgezegd om de geesten te bezweren. Dit bespeurt men ook in het volgende rijmpje, dat als zoodanig dienst moest doen en medegedeeld werd door een Gelderschen ijmker:
„Bijenmoeder sta!
En maak honig en was,
Waar Maria haar kind mee genas."
Dit laatste toont ons aan, hoe nauw de omgang met de bijen was; evenals ook het aanzeggen aan de bijen van huwelijk en overlijden door spreuken, waaruit dikwijls de zorg, die de bijen vereischen, duidelijk sprak. Deze feiten kunnen dienst doen als bewijs, dat de bij als huisdier moet worden gerekend, waar zoo'n nauwe omgang bestaat.
In den loop der tijden en in verschillende landen was het recht op den zwerm zeer onderscheiden. Hier heet het bijv. als iemand een zwerm in het wilde hout (bosch) vindt, zoo behoort die zwerm den vinder. Vindt iemand een zwerm op een andermans gerechtigheid, dan mag hij er niet aankomen, tenzij het zijn zwerm is, dien hij heeft gevolgd, dan komt hem 1/3 ervan toe of een bepaalde som in geld. Vindt iemand een zwerm op een kerkhof, dan behoort hij den vinder. Elders wordt aangehaald, dat, als iemand een zwerm heeft, die op een boom gevlogen is van een ander, dan zal tegen dien boom geslagen worden. Vliegt de zwerm weg, dan behoort hij aan den ijmker, van wiens stand de zwerm afkomstig is. Blijft de zwerm, dan behoort hij den eigenaar van den boom.
Het oude landrecht van Drente zegt: Als een zwerm vervliegt, dan komt deze voor de helft toe aan hem, die ze het langst en 't laatst vervolgt, en voor de andere helft aan hem, op wiens gerechtigheid hij zich zet en geschept wordt.
Het oude landrecht van Overijsel zegt: Wie een zwerm 't eerst vindt, mag hem behouden, mits hij niet door den eigenaar wordt vervolgd. Is een zwerm uit het oog van den vervolger, dan is deze hem kwijt. Vliegt de zwerm op eens anders gerechtigheid, zoo zal de vervolger den zwerm daar scheppen, mits de eigenaar van den grond de helft der waarde van den zwerm ontvangt.
Het landrecht van Wedde en Westerwoldingeland is zeer uitgewerkt in de regeling van het zwermen. Volgt iemand een zwerm en vliegt deze over het hoofd van een ander, dan is de zwerm voor de twee die volgen. Komt iemand van ter zijde aangeloopen, dan heeft hij er geen deel aan. Vindt iemand ergens een zwerm, dan doet hij er een teeken bij, tot hij terugkomt om te scheppen. Dit bijgevoegde teeken geeft eigendomsrecht, anders is de zwerm voor een volgenden vinder. Vliegt een zwerm op een andersmans gerechtigheid (boom of grond), zoo mag men daar een penning bij leggen, en behoort de zwerm den ijmker van wien hij afkomstig is, mits deze den zwerm heeft gevolgd, enz. Ook wordt daarin gesproken van overlast door bijen veroorzaakt en het plaatsen van lokkorven.
Onder de dieverijen, die ter eerster instantie met den dood werden bedreigd in het landrecht voor Drente, wordt ook genoemd: het stelen van bijen.
Art. 17. Westerw. Lr. straft het zetten van lokkorven met den dood.
In verscheidene Europeesche landen bestaat thans eenige regeling in 't eigendomsrecht der zwermen, overal bespeurt men echter nog eenige weifeling, voortvloeiende uit de onzekerheid, waaronder de bijen te rangschikken. Mr. A.J. Hildebrandt heeft thans den weg gewezen en zich zoo voor de bijenteelt verdienstelijk gemaakt.
H. Stienstra.