De bijen in September.
September is de laatste maand van het gewin. Veel langer dan half September blijven de bijen niet op de heide. Ongelukkig hebben onze bijen betrekkelijk daar weinig kunnen profiteeren. De tweede helft van Augustus gaf maar enkele goede vliegdagen. We kunnen dit bejammeren, maar het feit is nu eenmaal niet anders. Geen bedrijf, als dat van den ijmker, is zoo van het weer afhankelijk. De volken waren prachtig, de korven zoo vol bijen, dat ze den korf uitpuilden, de heide zag er schoon uit, maar op het oogenblik dat alles aanwees op een zeer goede oogst, laat het weder den ijmker in den steek en in plaats van volop zal de oogst voor 1908 niet meer dan matig zijn.
Iets anders is het voor die streken geweest, waar de honigdracht vroeger valt. Daar was dit jaar de oogst goed, hier en daar zelfs best te noemen.
Evenwel, nu ik dit schrijf is het eind Augustus, de hoop is nog niet geheel weg; begin September kan nog wel wat goed maken, mijn verwachting is echter niet groot meer.
Nu de bijen op de heide zijn, is het mogelijk de noodige herstellingen aan den stand aan te brengen. Over het algemeen is de onderste vliegplank te dicht bij den bodem. Deze afstand behoort minstens 30 c.M. te zijn, opdat de lucht onder de vliegplank voldoende ververscht wordt en de grond niet te vochtig zij, waardoor het een kweekplaats wordt van slakken, van paddestoelen enz. Zindelijkheid is het groote middel, ter voorkoming van ziekten en allerlei andere ongemakken. De bodemplanken behooren niet door te buigen, want om mooi te kunnen bouwen, is de loodrechte stand van kasten en korven noodzakelijk. Groeven en scheuren in de planken zijn even zoovele schuilplaatsen voor wasmotten en spinnen, wanneer men er voor zorgt dat zulke verkeerdheden niet voorkomen, bespaart men zich veel ergernis en veel schade.
De Septembermaand is de maand, waarin de keuze moet gedaan worden. Men staat voor de vraag, welke volken zullen opzetters wezen en welke zullen uit den stand worden verwijderd. In de meeste gevallen wordt deze vraag beheerscht door het aantal volken, dat men wenscht over te houden. Vaak zullen geldelijke omstandigheden ook een duit in 't zakje doen. Dit zijn echter een paar slechte raadgevers. Bij het bepalen of een volk opzetter zal wezen, ja dan neen, moet men eigenlijk onafhankelijk zijn van het zooeven genoemde.
In de eerste plaats dient een korf sterk van volk te zijn en een behoorlijk gewicht te hebben. Een strookorf moet om en bij de 30 pond wegen. Een kast moet minstens 10 K.G. verzegelden honig bevatten, dat is pl.m. 30 vierkante decimeter verzegelde raat.
Een korf, die veel lichter is dan 30 pond, b.v. 20 pond of nog minder weegt, kan men wel door den winter krijgen, maar met zoo weinig gewicht verlangt de oppassing zeer veel, moet meer geld worden uitgegeven en ten slotte heeft men nog weinig of geen succes met zoo'n volkje, want lichte bijen zitten ook meestal slecht in het volk. Zijn een voldoend aantal bijen aanwezig, dan zal het gewenschte gewicht door sterke voedering spoedig te verkrijgen zijn.
Nu gaan er van 't overwinteren van lichte volken onder de ijmkers wel allerlei wonderbare verhalen, men is het er echter vrijwel over eens, dat zulke volken weinig voordeel opleveren. De gouden sleutel der bijenhouderij is immers 't hebben van sterke volken.
Het sterkste, wat ik dezer dagen hoorde over 't overwinteren van zwakke volken, was wel het volgende. Iemand schepte in 't najaar een hongerzwerm, dus een zwerm, die van gebrek den korf verlaten had. Hij gaf dit volk een ledige korf, dus 't had heel geen werk, in plaats daarvan spijlde hij een weiten bolle (een tarwebrood), gedrenkt met honig in den korf, wat af en toe werd vernieuwd, zóó kreeg hij het volk door den winter. Ik vertel dat hier slechts als een aardigheidje, en sta niet voor de waarheid ervan in. Dus een opzetter moet een behoorlijk gewicht hebben, en men is het er vrijwel over eens, dat opzetters van 30 à 35 pond de beste zijn. Te zware volken zijn ook niet geschikt. Is te veel honig aanwezig, zoo zitten de bijten te koud. Verder dient er gelet te worden op den leeftijd der koningin, waar de koningin van afkomstig is, hoe er in den korf gewerkt is, op den ouderdom van de raat en of jonge bijen aanwezig zijn.
De koningin moet jong zijn, liefst hetzelfde jaar geboren, en afkomstig van een goed volk. Het werk moet mooi in den korf zitten, hetzij dan dat de raten loodrecht op het vlieggat of het verlengde daarvan staan (koude bouw), of wel evenwijdig met het vlieggat loopen (warme bouw). Volken, die anders werken, heeten dwarswerkers, maar dit is meestal des ijmkers eigen schuld. Eenjarige raat verdient boven andere de voorkeur, 't zal echter moeilijk zijn zich stipt aan al deze eischen te houden. Evenwel streve men zooveel mogelijk naar wat het beste is en late men zich niet door gemakzucht leiden. Een belangrijke zaak is nog de aanwezigheid van jonge bijen en van broed.
Wat men noodig heeft voor de gewichtsbepaling is een unster met een paar haken; van elken korf noteere men het gewicht, door het met krijt op den korf te zetten of, wat beter is, door het in zijn boek aan te teekenen. Wanneer de heide afgeloopen is, zoo zal het voorkomen, dat een deel van den gewonnen honig nog overzegeld in de raat ligt. Dit zal vooral het geval zijn, als de dracht op de heide plotseling ophoudt, houdt de dracht op de heide geleidelijk op, dan zal dit minder voorkomen. Ieder heide-ijmker kent in dit plotseling eindigen van de honigdracht een gevaar. Hij weet dat na zulke jaren de bijen veeltijds de roer of loop krijgen, d.w.z. dat ze de vliegplank, den korf en de omgeving, en elkander in den korf bemorsen en vaak te gronde gaan. Ik hoorde dezer dagen nog dat een ijmker door deze ziekte dit jaar een stand van 70 volken zoo goed als verloren had. Nu ontstaat deze ziekte ook wel op andere wijze, en binnenkort zal hierover een belangrijk schrijven van onzen wandelleeraar, den heer van Giersbergen, in het Maandschrift verschijnen; maar 't is vooral dat deze ziekte zich voordoet in jaren als de heidedracht plotseling wordt gestaakt. Nu is het heel gemakkelijk te begrijpen wat het gevolg zal zijn van dit plotseling staken. De honig blijft n.l. onverzegeld in den korf; ze is onrijp en wordt zuur. Nemen de bijen dezen zuren honig op, dan ontstaat een ontsteking van het darmkanaal en bevuilen ze elkander in den korf. enz., enz.
Hoe voorkomt men dit? Door de bijen na de heidedracht een hoeveelheid suikerstroop te voeren. Dat is 1 K.G., liefst ongeblauwde suiker opgelost in ½ liter water. De in het water opgeloste suiker wordt gekookt en voortdurend afgeschuimd. Hiervan geeft men de volken naar behoefte, maar steeds een groote hoeveelheid ineens, b.v. 2 K.G. Kleine hoeveelheden, bij herhaling toegediend, zouden de koningin slechts tot het leggen van eitjes prikkelen. De raten worden nu verder door de bijen met suiker volgemaakt en zoo de honig aan de lucht onttrokken, die nu niet meer zuur kan worden.
Reeds in den aanvang zeiden we, dat een kast minstens 10 K.G. verzegelden honig moet bevatten. We bedoelen hiermede wezenlijk het minimum, er mag dus wel meer in zijn. Is er te weinig, zoo kan men sterken volken honigraat ontnemen en geven, waar dit noodig is. Waar men bijen houdt in kasten voor eigen honiggebruik, ontneme men ze niet meer dan 't kan. Raten met gedeeltelijk nog onverzegelden honig worden het eerst verbruikt. Raten met stuifmeel worden vooral niet aan de volken ontnomen. Eerstens, omdat het stuifmeel (pollen, brood) noodzakelijk is voor de voeding der larven, tweedens omdat de smaak van den raathonig er door bedorven wordt. Hoe verder de honig van 't broednest afligt, des te zekerder is men ervan, dat geen brood er in voorkomt. Verder kan men van twee zwakke volken een sterk maken, door ze te vereenigen.
Voor ditmaal echter genoeg. Wie inlichtingen verlangt, kan deze ten allen tijde bekomen door middel van het Maandschrift. Overigens raadplege men één der werkjes over bijenteelt, b.v. het practisch handboek voor den bijenteler, door G.C. Spengler, geschreven in opdracht onzer Vereeniging.
H. Stienstra.