Roer of Loop.


Gelijk alle levende wezens aan ziekten onderhevig zijn, zoo ook is de bij daaraan blootgesteld. De meest algemeen voorkomende en de grootste verwoesting aanrichtende bijenziekte voor ons land is de roer of de loop. In sommige streken ook wel „gelligheid", galligheid of ongans genoemd. Het is de diarrhee der bijen.
Wij willen in het kort even nagaan het verloop van de door- en uitwintering van een gezond volk in een bijenwoning om daarna de afwijkingen en stoornissen te bespreken, waaruit de oorzaken van den loop ontstaan.

Een bijenvolk plaatst zich in den herfst binnen de woning voor aan het vlieggat, op ledige cellen, en in een bolvorm. En wacht alzoo den komenden winter af. De bijentros neemt gewis den bolvorm aan, omdat deze vorm bij het minste oppervlak den grootsten inhoud heeft. En zoo kunnen de bijen zich des winters onderling met de minste verwarmingsstof zich warm houden. Rondom den bijenbol zit de honig. De bijen eten honig om te leven en zich te verwarmen.
Honig is een voedingsstof die gemakkelijk verteert; maar ook eene groote verteerbaarheid bezit. Als eene bij een droppel honig opneemt dan verteert deze voor 95-98%. Er blijft dus een zeer klein deel van dien opgenomen honig onverteerd of als onverteerbaar deel over. Nu komt echter de tot nog toe onopgeloste vraag weer te berde, n.l., laat de bij het onverteerde voedsel gedurende den winter in drogen vorm vallen, of blijft dit onverteerd restant in den mastdarm achter, en reinigt zij zich bij den eersten uitvlucht?

Over deze vraag is veel gestreden en ze is dikwijls ter tafel gebracht; maar deze vraag kan mijns inziens hier gevoeglijk achterwege blijven. 't Is hier zaak a als de bij haar uitwerpselen gedurende den winter in drogen vorm afgeeft, waarom ze nat en waterig is, als de bijen de loop of de galligheid hebben; en b als de bijen hare uitwerpselen in haar lichaam ophoopen, waarom zij de uitwerpselen laten vallen, indien zij de loop hebben.
Met zekerheid is het nog niet vastgesteld of de bijen des winters hunne uitwerpselen in het lichaam ophoopen of niet.

Als een bijenvolk in den herfst zich tot overwintering zet, en de voorraad honig is voldoende groot, en van goede kwaliteit, en deze hoeveelheid wintervoedsel wordt vloeibaar; dan zal zoo'n bijenkolonie zonder uitwendige stoornissen goed uitwinteren en de loop zal zich niet vertoonen.
Roer of loop is een zoogenaamde acute of snelverloopende maag- en darmontsteking.
De kenteekenen van deze ziekte zijn: dat de bijen in het najaar (laatst van November) reeds op de bodemplank naar water zoeken.
- Aan het vlieggat vindt men bruine, na den winter — soms reeds in den winter — zwart-bruine vlekken.
- Raten en woningwanden zijn evenzoo verontreinigd.
- In losse bouwwoningen is ook dikwijls de achterzijde van de woning met die bruinzwarte strepen geteekend.
- De korf geeft een vieze lucht van zich aan het vlieggat.
- De bijen loopen verspreid over de raten.

Als oorzaken van den loop moet genoemd worden in de allereerste plaats minderwaardig voedsel, waaronder hier ook onverzegelde honig moet gebracht worden. Honig, die onverzegeld blijft, neemt water op en gaat over tot een zwakke gisting. Op zulken onverzegelden honig vormt zich een dun laagje waterachtige honig met een laag suikergehalte, waarin de azijn-zuurbacillen een goede voedingsbodem vinden. Zulk een bovenlaag in de cel wordt zuur, en is overgegaan tot azijn en soms zelfs tot een weinig alcohol.
Als de bijen van dezen bedorven honig eten, dan blijft de loop niet uit, wordt zelfs onvermijdelijk.

Doordat eene onverzegelde honigcel water opneemt, wordt zij voller, door de gisting loopt dikwijls een gedeelte der cel langs de raat op de plank. Men vindt op de bodemplanken der bijenwoningen dan ook menigmaal 5—6 druppels van dit vocht. Gewoonlijk gaan die natte vlekken op de plank gepaard met de donkerbruine vlekken aan het vlieggat.
Honig behoort als wintervoedsel verzegeld te zijn. Derhalve is het laat in den herfst bijvoederen van honig niet aan te bevelen, aangezien dit voedsel niet meer verzegeld wordt, of slechts ten deele.
Suikerwater (stroop), mits goed bereid en van goede suiker, gist niet, en neemt geen noemenswaardig water op. Daarom moet in het najaar liever met suiker dan met honig gevoederd worden. Het vroege of bijtijds bijvoederen is het meest gewenschte, of wel het zekerste middel om geen of weinig onverzegeld voedsel in den korf te hebben.
(Wordt vervolgd.)

L. van Giersbergen.