Hoe ik bijen houd 12 Kilometer van mijn woonplaats.
Ik woon in Sloten N.H en mijn bijen staan in de Haarlemmermeer.
In het najaar van 1907 hadden mijn bijen onvoldoenden voorraad om door den winter te komen, daar ik niet naar de heide was geweest en de dracht in de meer op paardenbloem, mosterd en klaver, ofschoon die gewoonlijk zeer goed is, genoemd jaar geheel onvoldoende was.
Een ijmkervriend, die naar de heide gereisd was en mij eenige gevulde raampjes had beloofd, kon zijn belofte niet houden, daar de heide ook was tegengevallen. Nu was goede raad duur. Ik zat half October met volken, die den kost niet hadden en te ver af om ze in acht of veertien dagen zoo te voeren, dat ze voldoende hadden om door den winter te komen. Ze gewoon dood te laten gaan vond ik wel een beetje erg makkelijk, zoo zijn er van 1907 op 1908 een massa volken omgekomen, omdat men zeide: „ik kan nu niets aan mijn volken beginnen, het is vriezend weer."
Bijenhouders, die in zulke omstandigheden verkeeren kan ik gerust aanraden, maak de kasten open en voer, zooals ik ook gedaan heb, en je bijen gaan niet dood van den honger.
Ik voerde van September tot December eenmaal per week aan 7 volken 5 pond gewone witte suiker, bereid zooals ons jaarboekje dit aangeeft. December, Januari en Februari kregen ze samen 5 pond per maand. Het was opmerkelijk, hoe de bijen, ondanks het hartje van den winter, afkwamen op de gevulde bakjes. Eind Februari begonnen de bijen meer voedsel op te nemen, naarmate het broed zich begon uit te breiden, Ik gaf toen meer en wel 5 pond suiker per week tot half Mei. Ik voerde in blikken bakjes, 27 c.M. breed en net zoolang, als mijn ramen binnenwerks zijn. De bakjes waren opgehangen aan ijzerdraadjes, drie c.M. van het bovenlatje. Daar de bakjes hingen, konden ze steeds zonder morsen worden gevuld, want al wordt het raampje schuin gehouden, het bakje is altijd loodrecht naar beneden gericht. Op het voer drijft een plankje met gaatjes, zoodat de bijen nooit kunnen verdrinken. Deze inrichting is het meest practische en goedkoopste voedertoestel, dat zich laat denken, altijd voor volken, die men van bovenaf kan behandelen.
Half Mei maakte ik van de 7 volken vier, waar ik niet minder van werd.
Het is natuurlijk, als men 12 Kilometer van zijn volken af woont, dat men niet dagelijks er naar kan omzien.
De gevolgen bleven dan ook niet uit. Twee volken zwermden tijdens mijn afwezigheid; maar zetten zich in een ledige kast, zeker uit dank voor de moeite die ik gedaan had om ze doorden winter te krijgen.
Toen heb ik als zinkwerker kastjes gemaakt van koninginne-zinkgaas, waarin twee ramen passen op den gebruikelijken afstand. In deze kastjes deed ik twee ramen met fijn werk en de koningin. Zoo zette ik deze kastjes in de groote kast. De koningin was dus opgesloten en kon niet zwermen, terwijl de broedaanzet kon doorgaan zooals ik dat verkoos. Was er mijns inziens genoeg broed, dan liet ik de raampjes waar ze waren, wilde ik meer broed, dan nam ik de raampjes uit het kastje en hing er twee nieuwe met fijn werk en de koningin voor in de plaats. Deze raampjes zijn in enkele dagen met eitjes bezet, en kunnen door andere worden vervangen.
Ik kan nu zeggen: „Ik ben de bijen de baas", en kan kunstzwermen maken, wanneer ik de gelegenheid heb naar mijn bijen toe te gaan.
H.J. VAN DUIVENBODE.
Dit stuk is door de Red. in den vorm gezet, dien het thans heeft, zooveel mogelijk is echter de gedachtengang van het oorspronkelijke behouden en de inhoud nagenoeg geheel.
Wie aangaande dit punt iets in het midden wenscht te brengen kan zich richten tot de Red., die den Heer H. J. v. D. dankt voor dit opstel.