Ter waarschuwing.


Over het algemeen genomen was voor onze bijenhouders het afgeloopen jaar 1908 niet gunstig. Ook de zes voorgaande jaren waren, zoo niet ongunstig, toch niet veel boven het middelmatige wat de honigoogst betrof, zoodat wij zeven magere jaren achter den rug hebben. En wij nu zoo wij hopen, de zeven vette tegemoet gaan. Laat ons nu in de eerste plaats zorgen, dat onze bijenvolken sterk zijn tegen het aanbreken van de lieve Lente.

Hoewel er nu, Januari, nog weinig van te zeggen valt, meen ik er toch op te moeten wijzen, de bijenvolken niet uit het oog te verliezen, vooral wat de voedselvoorraad betreft. In Februari en Maart is er veel meer honig voor ‘t bestaan der kolonie noodig als de drie voorgaande maanden. De ijmker mag zich wel afvragen: ,,is er in de kasten en korven wet voedsel genoeg?” Er wordt zoo vaak gedacht dat er voldoende voorraad is.
Men zegt de kasten en korven, die eind September niet voldoende hadden, heb ik bijgevoerd tot zij alle ruim twintig pond voorraad hadden, zoodat ik zonder zorg het voorjaar kan afwachten.
Nu 20 pond voorraad is voor een goed bijenvolk gewoonlijk voldoende. Toch vreezen wij er voor, dat wij er dit jaar niet op kunnen en mogen doorgaan. Er is veel minder voorraad in de kasten en korven dan voorgaande jaren om dezen tijd. De oorzaak hiervan moeten wij toeschrijven aan de buitengewoon zomerachtige Octobermaand.
De bijen vlogen toen opvallend druk, hoewel er weinig honig binnenkwam, stuifmeel daarentegen veel. Door die drukte en tamelijk warme temperatuur ging de koningin ook door broed aan te zetten, zoo zelfs, dat einde October nog volle raten met broed in de kasten aanwezig waren. Een en ander ten koste van den wintervoorraad.
Intusschen winterden wij in met groote volken en veel meer jonge bijen dan voorgaande jaren. De omstandigheden voor den aanstaanden zomer zijn dus gunstig, mits de bijen teerkost genoeg hebben.
Daarom is het zaak bij de eerste gelegenheid als de bijen zich laten zien, bij zacht weer en zonneschijn, soms al in Februari of begin Maart, allereerst den honigvoorraad te onderzoeken, en waar gebrek begint te komen, te voeren. Vloeibaar voer mag men in de wintermaanden niet toedienen, daardoor worden de bijen te rumoerig en loopen te veel uit hun winterzitplaats, waardoor zij te veel afkoelen en sterven.

Wanneer men noodzakelijk in den winter moet voeren, neemt men daarvoor poedersuiker (bij elken banketbakker te bekomen). Men kneedt daar zooveel warm gemaakten honig door, totdat het een stijf deeg wordt, b.v. als stopverf. Van dit deeg maakt men platte plakken, die boven op de ramen onder de dekkleedjes boven de bijenzitplaats gelegd worden, een stuk papier op het deeg gelegd en verder weer warm toestoppen. Bij eenigszins zacht weer kan men einde Maart of begin April het voeren met vloeibaar voedsel (suikerstroop) voortzetten.
De bijenkasten, van boven behandelbaar, zijn boven alle andere te verkiezen, zij zijn de gemakkelijkste en doelmatigste voor bijen en ijmker.
Bij kasten of korven die men van onderen moet voeren, steekt men platgedrukte plakken suikerdeeg tusschen de raten tot zoo nabij mogelijk de zitplaats der bijen.
Boven als nu roepen wij U toe, het voor den ijmker toepasselijk stopwoord : ,,Geeft acht”.
8 is meer dan duizend.

F.Aug. KELTING.