De Bijenteelt voor Spoorwegwachters.
Er zijn weinig betrekkingen, die meer de algemeene sympathie verdienen, dan die der spoorwegbaanwachters, wier verantwoordelijkheid dikwijls in tegenstelling staat tot hun karig loon. Er zijn echter reeds talrijke voorstellen gedaan om het bestaan dezer beambten te verbeteren. ‘t Was dan ook met dit doel dat de heer Charles Shroetter, secretaris van het bestuur der Spoorwegen te Frankfort a/d. Main, in het technisch orgaan der Vereeniging van Duitsche Spoorwegbesturen, het denkbeeld geopperd heeft om de bijenteelt bij de baanwachters ingang te doen vinden.
Dit denkbeeld werd zeer gunstig ontvangen, eerst in Duitschland, vervolgens in Hongarije, waar men reeds langs de spoorlijnen zeer schoone bijenstanden vindt.
In 1886 zette de Oostenrijk-Hongaarsche Mij. van staatsspoorwegen een honderdtal bijenvolken op, wier aantal nu meer dan 500 bedraagt. In de maand December 1898, heeft de raad van Oostenrijksche staatsspoorwegen het volgende besluit genomen.
,,Het Ministerie van de Spoorwegen wordt uitgenoodigd mede te werken tot de verbreiding der bijenteelt onder de baanwachters, ze aan te bevelen aan alle Maatschappijen der Oostenrijkshe lijnen, en haar op de meest afdoende wijze aan te moedigen, overal waar het klimaat, de flora en de andere plaatselijke toestanden de bijenteelt mogelijk maken.”
In antwoord op deze uitnoodiging heeft het Ministerie een dienstorder uitgevaardigd om de bijenteelt te bevorderen.
Wederom is het de Oostenr.-Hongaarsche Staatspoorwegmaatschappij geweest, die de zaak met kracht heeft aangevat. Door materieelen steun te verleenen, vervolgens door het den baanwachters gemakkelijk te maken, de noodige kennis van de bijenteelt te verkrijgen, door enkelen hunner, die inmiddels tot lesgeven in de bijenteelt werden opgeleid, en op sommige tijden bij hunne ambtgenooten rond reizen, om dezen eenige theorethische en practische kennis te verschaffen.
De verkregen uitkomsten zijn over het algemeen genomen bevredigend en zeer aanmoedigend voor de voortzetting der propaganda voor de bijenteelt onder de baanwachters. Enkelen hunner bezitten na een practijk van 3 jaren een twaalftal bijenkoloniën, welke hun gemiddeld per stuk 20 à 25 kilo honig opleveren, welken zij gemakkelijk kunnen verkoopen tegen 60 à 70 cents de kilo. Wij wijzen er echter op dat zij, die zulke uitkomsten verkregen, een zeer groote liefhebberij voor de bijenteelt toonden, en dat het bijgevolg niet juist zou zijn, op bevel ook hen ijmker te maken, die in de bijen hoegenaamd geen belang stellen.
De Baanwachter is juist door den aard zijner betrekking bijzonder geschikt voor de bijenteelt. Zijn dienst die hem aan zijn post bindt, laat hem voldoenden tijd om zijn bijen te verzorgen De materieele voordeelen, die zij hem opleveren, verbeteren zijn toestand; zoowel in moreelen als in materieelen zin. En daardoor oefent de bijenteelt zijn heilzamen invloed uit op een dienst, waarvan zekerheid en stiptheid de grondbeginselen vormen.
Met het doel om meer en meer de bijenteelt te verbreiden, en ook in ons bloemrijk Nederland, langs onze spoorbanen, menig baanwachter zijn vrije oogenblikken aan zijn lievelingen ,,de bijen”, te zien besteden tot nut, genoegen en groot voordeel, veroorloof ik mij de volgende motie, aan het oordeel van bevoegden die belangstellen en belanghebben bij het welzijn van spoorhek- en baanwachters, te onderwerpen.
,,Lettende op de geschiktheid der personen voor de bijenteelt, plaatselijke gelegenheid en rekening houdende met de voordeelen, die er van getrokken kunnen worden; noodigt ondergeteekende uit, de daartoe bevoegden, nl. het bestuur der Vereeniging tot bevordering der Bijenteelt in Nederland; verder alle besturen der verschillende land- en tuinbouw-maatschappijen; en in het bijzonder de in ons land bestaande Spoorweg-maatschappijen, om mede te werken onder hunne leden en beambten, vooral onder de baanwachters, de edele bijenteelt in te voeren, te steunen en te helpen bevorderen.”
Duizenden guldens zouden daardoor jaarlijks, in den vorm van honig en was, te voorschijn kunnen komen, welke nu helaas jaar op jaar verloren gaan.
F. AUG KELTING, IJmker.