De bevruchting der koningin.
Mede naar aanleiding van het ingezonden stukje van den heer Joh. Stamps laten wij hier eene beschrijving volgen, van het standpunt, waarop men zich thans plaatst, wat betreft het onderwerp aan het hoofd van dit opstel.
Tevens zijn we in staat twee plaatjes te geven van de bevruchtingsorganen der bijen, genomen uit het meermalen genoemde practische handboek voor den bijenteler, uitgegeven bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum. Dit onderwerp dan heeft reeds lang het denken der bijenhouders bezig gehouden.
Swammerdam, geboren te Amsterdam 12 Februari 1637, meende, dat de mannelijke bijen, dus de darren, de eitjes door hun geur bevruchten, wat, naar zijn meening, hun groote aantal verklaart. Dit groot getal darren zou dan noodig zijn om zooveel reuk te verspreiden, dat deze in het lichaam der koningin voldoende doordrong, om de bevruchting teweeg te brengen.
Reaumur, geboren 1683 te La Rochelle in Frankrijk, bewees, dat deze veronderstelling valsch was; hij nam de paring aan, maar kon ze in gevangen toestand niet waarnemen; evenmin als Huber, geboren te Genève 2 Juli 1759, die waarnam, dat darren en koninginnen, samengebracht in een gesloten ruimte, de eerste er alleen op bedacht waren om te ontkomen.

A. Mannelijke geslachtsorganen van de bij.
1.- Ballen.--------5.-Gemeenschappelijke zaadleiders.
2.- Zaadleiders.---6.-Penishorns.
4.- Bijklieren.
Cliché uit handboek voor bijenteelt, C.A.J. v. Dishoeck,Bussum.
Hij bewees overigens, door al de mannelijke bijen van een korf op te sluiten in een met verscheidene gaten doorboorde doos, waardoor hun reuk zich vrij kon verspreiden, dat de onbevruchte koningin haar maagdelijken staat behield.
De Braw meende, dat de mannetjes de eitjes in elke cel afzonderlijk bevruchtten, omdat hij op den bodem der cellen sporen van druppeltjes had meenen op te merken van een bevruchtingsvocht, maar Huber bewees, dat hier niets van aan was, en toonde aan, dat in een korf, waaruit alle darren verwijderd waren en de openingen, die toegang tot den korf verleenden zoo klein waren, dat geen dar kon doordringen, en men de onbevruchte koningin liet uitgaan, deze bevrucht terugkeerde.

B. Vrouwelijke geslachtsorganen van de koningin.
1.- Eierstokken(ovaren)---------6.- Smeerklier.
2.- Eileiders.------------------7.- Zaadzak.
3.- Gemeenschapplijke eileider.-8.- Vetklier.
4.- Gifblaas.-------------------9.- Buitenste scheede.
5.- Gifklier.
Bij een andere proef deelde hij zijn stand in twee deelen: in het eene deel belette hij den darren de korven te verlaten, in het andere de koninginnen door roosters voor de vlieggaten te plaatsen. Er had geen bevruchting plaats, zoomin in het eene als in het andere gedeelte van den stand.
Maar hij merkte op, dat als men een onbevruchte koningin uitliet op het oogenblik, als er darren buiten waren deze na ongeveer een half uur terugkeerde met een deel van het bevruchtingsorgaan van een dar, afgerukt tijdens de paring.
Jonscha merkte omstreeks 1775 reeds op, dat de koningin in den korf terugkeerde met bijzondere organen aan het achterlijf, maar hij wist de natuur dezer organen niet te herkennen, en Corvan verhaalt, dat reeds Moufet in 1634 vermoedde dat de bevruchting buiten den korf plaats heeft.
5 à 6 Dagen, nadat de koningin uit haar cel te voorschijn is gekomen, is ze rijp voor de paring; haar bruiloftsvlucht heeft plaats bij kalm warm weder tusschen 11 uur ‘s morgens en 4 uur ’s namiddags.
Bij het verlaten der woning stelt ze zich eerst op de hoogte van de omgeving, maar het instinkt der paring overtreft wel eens de voorzichtigheid, zoodat ze soms niet terugkomt; want ze wordt niet geleid door een soort van plaatszin, die haar als het ware vanzelf den korf doet terugvinden, maar door het plaatsgeheugen.
Vanaf haar vertrek wordt ze door darren gevolgd. Zeker aangetrokken door het geluid, dat ze maakt en de reuk, die haar vergezeld. Bij deze vervolging doet ze een keuze uit de haar vergezellende darren.
Men noemt enkele zeldzame personen, die de paring bij de bijen hebben waargenomen.
In de laatste jaren zijn in Amerika proeven genomen om de paring te beheerschen, met het doel zuivere rassen te verkrijgen.
M. Dawitt d’ Arragon onder anderen zou hierin volkomen zijn geslaagd, door de paring te doen plaats grijpen in kooien van 10 meter hoogte en 10 meter middellijn, afgesloten door gaas.
De volken worden aan den voet der kooien geplaatst. De woningen hebben twee vlieggaten. Het eene vlieggat laat de koningin en de darren toe in de kooi te vliegen, het andere is van een koninginnerooster voorzien en laat alleen de werkbijen toe om naar buiten te vliegen.
In de woning teruggekomen ontdoet de bevruchte koningin zich van het stuk achtergebleven mannelijke orgaan en bedient zich daarbij van haar achterpooten volgens Huber, en van hare kaken volgens andere waarnemers.
De dar overleeft de paring niet. Volgens sommige schrijvers wordt de penis door de koningin door middel harer kaken afgesneden.