APRIL.
De maand Maart door zijn scherpheid, neerslag,
Woeste vlagen en guurheid zoo geducht
Is thans weer heengegaan en achter ons;
Bevestigend opnieuw zijn slecht gerucht.
Dit jaar maakte hij ‘t zelfs zeer bout!
Het weer was immer guur, de lucht bleef koud,
De negen mooie Maartsche dagen
Ze bleven; maar waartoe helpt ons ‘t klagen?
De hazelaar is reeds in bloei.
De korfjes vol met pollen
Vliegen onze bijtjes heen en weer,
Straks ook van tulpenbollen.
Wanneer dra kers en appelboom,
De bes hun lentedos ontvangen,
Dan is het feest in ijmkers stal.
Hoe zoet is reeds ‘t verlangen!
Zoo komt weer hope in ijmkers hart
En door de hoop de moed om voort te gaan;
Want nu is ‘t geven nog, versterken
Door voer om straks in jeugd’ge kracht te staan.
Hoe heerlijk dan ‘t soemen van die velen,
Die om ‘t vlieggat de vleugels slaan en spelen.
Zij zeggen ‘t ons, is een maal daar de dracht,
Dan zullen wij U brengen vracht op vracht!
In de maand April heeft het meer nauwkeurig nazien plaats van den bijenstand. Ieder volk wordt zorgvuldig nagegaan. Denken wij nu eerst eens aan volken met lossen bouw.
Oude en schimmelige raat wordt verwijderd en, zoo men voorraad heeft, vervangen door volgebouwde reserveraampjes en anders door kunstraat. Heeft men stokken met darrenraat, dan wordt ook deze verwijderd. Verder ziet men de raampjes nauwkeurig na en verwijdert alles, wat het gemakkelijk uitnemen en weer inzetten verhindert. Om de raampjes op zijn gemak na te kunnen zien heeft men een gelegenheid noodig ze telkens zoo neer te kunnen zetten, dat het broed niet te veel af koelt en jonge bijen niet op den grond vallen. Hiervoor maakt men zich een raampjesdrager, als men althans raampjes van één grootte heeft. Daar ik raampjes heb van verschillende grootte, gebruik ik een kist, hooger dan de raampjeshoogte. De breedte maak ik door een dwarslat over de kist te leggen, de raampjes rusten nu op een kant der kist en het dwarslatje.
Bij goed weder kan men zoo op zijn gemak alles nauwkeurig nazien en verbeteren, wat noodig is, terwijl men geheel met den toestand op de hoogte komt, welke men vervolgens noteert.
Treft men een moerloos volk aan, dan zal men zoo’n volk aan het eind van April een koningin geven, als men daarover beschikt, of anders het vereenigen met een der minder sterke volken.
Van sterke volken, die reeds flink broed hebben kan men zoo langzamerhand de broedruimte uitbreiden, door tusschen twee broedraampjes een volgebouwd raampje of anders een raampje met kunstraat te hangen.
Zwakke volken zou men kunnen versterken, door sterke volken te verzwakken. Daardoor krijgt men dan een stand met volken van één sterkte. Ik geloof echter niet, dat dit voordeelig is, maar ook hier dient gelet te worden op den tijd van den hoofddracht. Heeft men een vroege hoofddracht, dan zal men sterke volken sterk laten en zoo krachtig mogelijk trachten te krijgen, want zulke volken brengen het gewin. De zwakke volken zet men op zoo weinig raampjes als ze bezetten en houdt ze warm, later in den zomer versterkt men ze door het inhangen van volgebouwde raampjes of raampjes met kunstraat. Voor de hoofddracht was zoo’n volk toch niets waard, terwijl het later nog een goede opzetter kan worden.
De korfijmker gaat in April zijn korven evenzeer na; met het scherpe kortmes neemt hij alle raat weg, die schimmelig of gekneusd is en evenzeer het darrenraat.
Indien men onder de volken een moerloos heeft ontdekt, vereenigt men het met een ander, dat men daarvoor geschikt rekent. Dit vereenigen is te doen door het moerlooze volk af te jagen en het daarna te schudden op het andere volk, nadat men door het bespuiten met honigwater beide volken een reuk heeft gegeven, na het vereenigen blaast men nog wat rook door het vlieggat.
Men kan het echter ook als volgt probeeren. Beide volken worden met hetzelfde honigwater bespoten. Het moerlooze volk zet men met den kop naar beneden op een onderzetsel, boven op het werk van het moerlooze volk komt een bord met honigwater te staan; nu plaatst men het volk, waarmede het moerlooze zal worden vereenigd hierop, rand op rand en omwikkelt de korfranden warm. Doet men dit werk des avonds, dan heeft zich het moerlooze volk den volgenden morgen met het andere vereenigd.
In ‘t kort nog enkele wenken, de plaatsruimte eischt dit:
In April kan men door ‘t buiige weer soms veel bijen verliezen. De bijen hebben veel honig noodig, en moeten dus ruim in voorraad zitten. Het gewicht is nu bedriegelijk. Want dit ontstaat door bijen en broed. Alleen bij goed weer zet men aan. De vlieggaten worden vergroot, en men wake tegen roof.
H. Stienstra.