Hoe verkrijgt men groote oogsten.
(Vervolg van febr.)
De raten zijn van ‘t grootste gewicht om goede oogsten te verkrijgen. Het is dan ook van veel belang een flinken voorraad raat te hebben, die stevig en recht in de raampjes bevestigd zijn. Zij vormen het kapitaal van den ijmker. Dit is met name het geval voor wie slingert. De pas gebouwde raat is te zwak om geslingerd te kunnen worden. De middenwand is te dun en breekt tijdens de bewerking. Het tweede jaar maken de bijen den middenwand dikker. Zulke raampjes zijn ‘t, die men moet gebruiken om ze met slingerhoning te laten vullen. Iets anders is het met honig, die in de raat wordt gegeten. Deze moeten niet ouder dan één jaar zijn. Dit blijkt wel bij sectie-honig, die alleen dan fijn is, als ze van éénjarige natuurraat afkomstig is.
Dat het bezit van raampjes met raat ook voordeelig is voor ‘t broednest weet ieder, die daarmede gewerkt heeft. Niet alleen kost elke kilo raat 10 of meer kilo’s honig, maar bovendien zijn een groot getal bijen in den oogsttijd buiten ‘t werk om was te zweeten en raat te vormen.
De raatvorming gaat in dien tijd wel verwonderlijk vlug; maar ‘t komt toch ook meermalen voor, als de dracht kort is, dat de volken voorzien van raat een voldoende hoeveelheid honig opleggen terwijl de volken zonder raat hun kracht verspillen met het maken daarvan en ten slotte zonder honig zitten.
Zoo is het ook met ‘t vullen der honigruimte. Dat deze maar al te vaak ledig blijft, is ook hieraan te wijten, dat de bijen zelf deze ruimte met raat heeft vol te bouwen.
Daarom stelle men den hoogsten prijs op ledige raat in raampjes en eerst wanneer ze zwart beginnen te worden komt ze in de waspers.
De voorraad, waarvan ieder volk in meerdere of mindere mate is voorzien, heeft grooten invloed op den oogst, zoowel wat kwaliteit als kwantiteit betreft, of op zijn Hollands gezegd, wat hoedanigheid en hoeveelheid aangaat. Als de bijen den winter ingaan met te waterrijken of ongezonden honig, zooals van vruchtensappen - zooals ik eind September en begin October nog zag, dat de bijen bij tientallen aasden op afgevallen vruchten en pereschillen - op honigdauw, of op in den herfst te laat gewonnen honig, die onvoldoende rijpt, dan loopen de bijen groot gevaar slecht te overwinteren.
Veel bijen zullen dan aan roer lijden, vooral als de winter streng is en de bijen niet van tijd tot tijd kunnen uitvliegen om zich van haar uitwerpselen, excrementen, te ontlasten. Het resultaat of gevolg zal zijn, dat een groot verlies aan werkbijen ontstaat zoo al het geheele volk niet omkomt.
De verzwakte volken zullen in ‘t voorjaar eerst laat weer op kracht komen, te laat vaak voor den tijd, als de hoofddracht daar is. Vòòr de koude intreedt, zal daarom de zorgzame ijmker de onrijpe en slechte honig, door rijpe en gezonde vervangen of anders door goed bereide suikerstroop. De waterrijke honig kan worden bewaard tot het voorjaar en indien ze niet zuur geworden is worden gevoerd, als de bijen dagelijks uitvliegen. Het is noodzakelijk, dat de bijen in ‘t voorjaar ruimer voorraad hebben voor de uitbreiding van het broed. Menigeen beeldt zich in, dat alles in orde is, als de eerste bloemen komen, die de bijen bevliegen. Niets is minder waar.
In vele streken van ons land is het noodig, dat de bijen in ‘t voorjaar tot aan de hoofddracht zooveel honig minstens te verteren hebben, als ze gedurende den winter verbruiken; en dat om verschillende redenen.
Ten eerste, daar het aantal bijen gedurende den winter is gekrompen, omdat er altijd gedurende dien tijd eenige verliezen plaats hebben. Vervolgens is de tijd daar van de groote eierlage. Een groot aantal bijen moet dienst doen als broedsters om de warmte van het broednest te onderhouden, deze kunnen dus niet uitvliegen. Er moet verder water en stuifmeel worden opgehaald.
Deze twee, water en stuifmeel, kan men de bijen, vooral als deze op koude dagen moeilijk voor ze te verzamelen zijn, gemakkelijk verschaffen. In plaats van stuifmeel, dat moeilijk te verzamelen is, kan men tarwe- of roggemeel geven. Dit plaatst men op korten afstand van den stand in doosjes en lokt de bijen door wat honig, waarna ze vlijtig hiervan vergaderen, totdat de natuur zelve voldoende biedt en het weer gunstig is.
Water kan ze gemakkelijk in de woning gegeven worden, vermengd met een weinig honig en matig warm. Water gebruiken de bijen om den honig in voorraad te verdunnen. De nectar, die ze uit de bloemen halen, is dun vloeibaar genoeg. Vandaar dat we voor de hoofddracht zooveel bijen bij de drinkplaatsen zien, terwijl we daarvan tijdens de hoofddracht weinig bemerken. Door de bijen dus lauw, gesuikerd water of honigwater te geven, besparen we ze veel moeite, en voorkomen we verlies aan volk.
De hoeveelheid voedsel, die alzoo verschaft moet worden, dient geregeld naar de behoeften van het volk. Het moet nooit van dien aard zijn, dat het in belangrijke hoeveelheid kan worden opgelegd, en men houdt er mede op, als buiten voldoende te halen is.
Evenmin moet men er op vertrouwen, dat er voldoende voorraad aanwezig is, maar er voor zorgen, dat tot de hoofddracht de bijen nooit in voorraad te kort schieten.
Het is voordeeliger de bijen in ‘t najaar niet meer honig op te zetten, dan strikt noodig is. Deze meerdere honig wordt goed betaald, door een beteren vooruitgang van het volk in ‘t voorjaar door grooteren broedaanzet.
De flora, dat wil zeggen de planten, die in een streek voorkomen, heeft een grooten invloed op ‘t gewin.
Het is dwaasheid de bijenteelt in ‘t groot te bedrijven, waar weinig honiggevende planten voorkomen. Overigens zijn er haast geen streken, die in ‘t geheel geen dracht geven. Ieder moet dit vraagstuk voor zijn eigen streek oplossen, want dezelfde plantensoort honigt niet altijd gelijk in de verschillende streken.
De witte klaver, boekweit, heide, luzerne, linde, kruisbessen, koolzaad zijn geschikte planten om groote oogsten te geven. De roode klaver is ongeschikt, wegens de te lange bloemkroon, zoodat de bijen niet bij de honingkliertjes kunnen komen. Bij de bastaardklaver of Spaansche klaver met rose bloemen bestaat dit bezwaar niet.
Wanneer in een cirkel van zes kilometer middellijn maar voldoende honiggevende planten voorkomen, behoeft men nog niet te wanhopen om te slagen in het houden van bijen al ontbreken ze ook in de onmiddellijke nabijheid. Ook kan men in zijn omgeving de teelt van honiggevende gewassen aanmoedigen, door het verschaffen van zaaizaad.
Het in zwang komen van een honigplant kan soms de opkomst of uitbreiding der bijenteelt zeer bevorderen. Zoo bijv. in ons land de aanleg van boomgaarden met onderplanting van bessen, vooral in Zeeland. Een eigenaardig voorbeeld hiervan heeft men in Chicago, waar op de ledige terreinen der voorsteden honigklaver, een soort Melilotis, in overvloed groeit. Dit heeft aanleiding gegeven, dat in de nabijheid der rookende ijzerfabrieken thans een levendige bijenteelt tiert en vooruit ziende ijmkers de ongebruikte terreinen met honigklaver hebben ingezaaid, zoodat deze gronden, die voorheen niets dan onkruid voortbrachten, thans een belangrijk voordeel geven.
Het systeem of de werkwijze is wel, hetgeen den grootsten invloed uitoefent op het al of niet slagen. Daar de ijmkerij op de onderscheidene plaatsen in ons land zeer uiteenloopt, is het niet mogelijk hier van één systeem te kunnen spreken en wij willen gaarne aan ieder, die er een systeem op na houdt, de gelegenheid geven zijn werkwijze in het Maandschrift te beschrijven.
Een paar hoofdzaken, waaraan men zich te houden heeft zijn de volgende:
In de eerste plaats dient men wel het spreekwoord te betrachten, dat men geen twee ruggen uit één varken kan snijden. Ik bedoel, dat men nooit veel zwermen en veel honig kan hebben. Het succes hangt dus slechts hiervan af, dat men het zwermen belet. Bij lossen bouw moet men de zwermen nemen van die volken, welke zich matig in volkssterkte ontwikkelen. Deze volken zullen, als de tijd daar is van de hoofddracht toch weinig doen.
Neemt van deze volken kunstzwermen, door van één volk er twee te maken of van twee volken drie, en voorziet men deze van raampjes met raat of van kunstraat, zoo verkrijgt men hiervan goede volken, vooral wanneer men ze zoo noodig nog een goede, gefokte koningin geeft.
De sterke volken daarentegen mogen niet zwermen. Dit moet met alle ten dienste staande middelen worden belet en dit lukt het best door maar telkens weer nieuwe ledige raampjes in te hangen, zoodat de koningin met de eierlage en de bijen met broeden kunnen doorgaan, terwijl alles, wat in de kast naar zwermen heenwijst, wordt verwijderd.
Ook bij vasten bouw komt het er op aan het zwermen te beletten. Om tegen de hoofddracht, wanneer deze op de heide zal plaats hebben en voor dien tijd niet veel gewonnen wordt, goede sterke volken te hebben, die in korten tijd zwaar zijn, moeten er van twee volken niet meer dan drie komen. Men handelt alsdan op de volgende wijze: We zullen de opzetters a en b noemen.
Aan het volk b, dat zwermrijp is, worden alle bijen ontnomen door omjagen en deze komen in korf c. De korf c met alle bijen uit b komt te staan waar b stond, De korf b enkel met werk en broed komt te staan waar a stond, zoodat b bevolkt wordt met de vliegbijen van a. De korf a komt op een nieuwe plaats te staan.
Van nu aan worden de drie volken voortdurend en trouw nagezien; vertoonen zich zwermteekens, dan worden deze verwijderd. Indien een volk hardnekkig doorgaat met zwermteekens te vertoonen, dan wordt het omgejaagd in een ledigen korf en deze komt te staan op de plaats van het volk. De korf met werk en broed laat men 24 uren koud staan en verwijdert alle zwermteekens, daarna worden de bijen weer op het werk teruggeschud en dit middel is meestal afdoende om de zwermlust te doen eindigen. (Zie ook pag 165 (nov.), jaarg 1908 ).
Hierover met een ijmker sprekende vertelde deze mij, dat hij als uiterste middel het zwermen meermalen had belet, door na het wegnemen der zwermteekens fijn zand tusschen de raten te werpen. Het verwijderen en schoonmaken der raten veroorzaakt den bijen zooveel arbeid, dat ze het zwermen er door vergaten.
Een tweede belangrijk punt is de tijd van den hoofddracht.
De eerste zwermen bezitten een eierleggende koningin, daar kan de eierlage doorgaan. De afgezwermde volken en die welke zijn voortgekomen uit de samenvoeging van eenige nazwermen bezitten een onbevruchte koningin.
Soms duurt het een heelen tijd voor een afgezwermd volk weer moervast is, d.w.z. dat het weer een eierleggende koningin bezit. Welnu zal zoo’n volk iets van belang ophalen, dan moet het volk minstens zes weken voor de hoofddracht moervast zijn. Drie weken zijn noodig om van het eitje een werkbij te hebben, twee weken doen ze andere diensten, dan die van vliegbij. Begint dus de hoofddracht zes weken, nadat het volk moervast was, dan heeft men bij den aanvang als jonge vliegbijen, die als eitje in de eerste week, van haar legtijd zijn gelegd.
H. Stienstra.