VERSLAG
der Algemeene Vergadering op Donderdag 22 April te Utrecht.
Na opening der vergadering heet de Voorzitter de aanwezigen welkom, in ‘t bijzonder den heer Mr. C. de Kempenaer, die voor ‘t eerst achter de bestuurstafel heeft plaats genomen.
Na voorlezing der notulen van de voorgaande Algemeene Vergadering, die zonder aanmerking worden gearresteerd, en mededeeling, dat een motie is ingekomen van de Afdeeling Haaksbergen, doet de Secretaris het volgende jaarverslag over 1908.
Jaarverslag 1908.
Algemeene toestand. Tengevolge van de ongunstige jaren 1906 en 1907 en het nog ongunstiger jaar 1908, wat betreft het honiggewin, moeten wij helaas ons jaarverslag beginnen met een klaagtoon.
De honigoogst was in het afgeloopen jaar nog slechter dan in 1907 en het aantal ingewinterde volken ging dan ook in de drie laatste jaren beduidend achteruit. Vooral de oogst op boekweit en heide viel bitter tegen; om de volken door den winter te krijgen werd door de Afdeelingen coöperatief aangekocht ± 30000 K.G. suiker. Toch stonden de kansen in den voorzomer zeer goed en wees alles op een goed honigjaar.
De ontwikkeling der volken in April, Mei en Juni kon niet beter gewenscht worden; uit alle oorden des lands kwamen de meest gunstige berichten. Het gewin op koolzaad, mosterd en klaver viel te roemen, ook de linde en acasia gaven voldoende dracht. Maar de hoofddracht, die voor het grootste gedeelte onzer ijmkers op de heide en voor een deel op de boekweit ligt, mislukte totaal. De volken werden op de heide dag aan dag lichter; enkele stierven er den hongerdood. De meeste moesten, om te kunnen overwinteren opgevoerd worden met suiker. Geen wonder, dat uit de verslagen der Afdeelingen ons geen opgewekten toon in de ooren klinkt.
De inwintering zelve had een zeer gunstig verloop, voor zoover n.l. voldoende voorraad voedsel was gegeven, zoodat in dit opzicht het jaar 1909 goed is begonnen. Moge het ook goed eindigen.
Honigprijzen. Tengevolge van den slechten oogst, kwam er zeer weinig honig aan de markt en daar, gelukkig verschijnsel, de vraag naar zuiveren natuurhonig telken jare grooter wordt, kon het niet uitblijven of de prijzen stegen aanmerkelijk. Een kleine, zeer welkome vergoeding voor de bittere teleurstelling, die de ijmkers ondervonden!
Voor slingerhonig in flacons werd betaald f 1.60 à f 1.80 per kilo; voor raathonig f 1.70 tot f 2.-; honig uitgebroken uit den korf f 0.44; pershonig (zeer schaarsch) f 40.- à f 45.- per 50 kilo; voor honig uit te breken in Duitschland (korven terug) 60 ct. per kilo.
Langs de lijn Boxtel—Gennep wordt meer en meer een levendige handel gedreven in bijenkorven met levenden inhoud, beneden 15 K.G. naar Duitschland. Men besteedt ervoor 36 tot 40 ct. per kilo bruto en korf niet terug.
De wasprijzen bleven standvastig; het ruwe was bracht op 70 à 80 ct. en het gezuiverde f 1.60 à f 2.- per kilo.
Markten.
Honingmarkten hadden dit jaar niet veel te beteekenen, er was geen voldoende aanvoer. Zij werden nog gehouden te Apeldoorn, Winterswijk, Arnhem, Eerbeek, Roermond, Middelburg, Groningen en Leeuwarden. Op verschillende plaatsen, waar men een honigmarkt wenschte te houden, moest men wegens het slechte gewin van het voornemen afzien.
De groote beteekenis dezer markten, vooral voor den kleinen ijmker, is buiten kijf en de toename van het aantal wacht slechts op eenen beteren honigoogst.
De zwermmarkten liepen gunstiger af. Door de gunstige ontwikkeling der volken in het voorjaar, werden meer zwermen aangevoerd dan het vorig jaar. Er was ook veel kooplust, omdat de vooruitzichten zich zoo hoopvol lieten aanzien. Te Veenendaal (de Klomp en Nieuwe weg) werden aangevoerd ongeveer 2200 stuks, die alle verkocht werden tegen f 2.75 à f 3.50 per korf.
De voorjaarsmarkt te Amerongen van doorgewinterde volken bleef ook dit jaar beneden de verwachting. De aanvoer bepaalde zich tot 75 stokken. De prijzen varieërden van f 3.50 tot f 6.50 per stok.
Najaarsmarkten werden nog gehouden te Venlo en Bakkeveen. De aanvoer op beide markten was zeer gering, wat te meer viel te betreuren, omdat veel Duitsche opkoopers aanwezig waren. Edoch, de imkers hadden niets te verkoopen.
Honig- en Wasbeurs. Door de afd. N. Z. Holland werd in September te Amsterdam voor de eerste maal zoo’n markt gehouden, die naar wensch slaagde. De vraag overtrof verre het aanbod. Vooral was er veel vraag naar zuivere bijenwas, waarvan slechts kleine partijtjes aanwezig waren. Van honig werd ongeveer 500 kilo omgezet tegen gemiddeld 90 ct. p kilo.
Honigonderzoek Dit had weer geregeld plaats aan het Suiker-laboratorium te Amsterdam; de lezers van het Maandschrift hebben zich in een der jongste nummers kunnen overtuigen, dat dit onderzoek zeer gunstige resultaten geeft.
Leerstallen. In 1908 had de vereeniging 17 leerstallen, waarvan 16 in het jaarboekje vermeld. De zeventiende is geplaatst bij den heer Alb. Hartkamp te Eesveen. Van deze 17 worden er 15 gesubsidieërd door de vereeniging met f 10.- per jaar. De leerstalhouders te Amerongen en Zeeland (N. B.) maken geen aanspraak op subsidie.
Aan de meeste dezer leerstallen werden door den leeraar één of meer practische lessen gegeven, die veel belangstelling van de zijde der imkers en liefhebbers trokken. Over ‘t algemeen was het bezoek aan de leerstallen, zoowel van imkers als belangstellenden vrij goed.
Tentoonstellingen. Slechts voor ééne tentoonstelling, die te Apeldoorn, werd door het H.B. eene subsidie verleend. Deze tentoonstelling slaagde uitnemend, dank zij de inzendingen der handelaren, die inderdaad mooi geëxposeerd hadden. De vakimkers zelf hadden weinig gezonden, zij konden trouwens ook niet.
Ook was de bijenteelt vertegenwoordigd op de tentoonstelling der Holl. Maatsch. van Landbouw, welke te Texel werd gehouden.
Jaarboekje. Wegens de groote kosten werd door het H.B. een kleiner jaarboekje uitgegeven dan in 1907. Dat voor 1908 bevatte alleen de namen der bestuursleden en leden der afdeelingen, de namen der hoofdbestuurders enz. Meer een ledenlijst dus dan een jaarboekje.
Hoofdbestuur. Het Hoofdbestuur onderging in zijne samenstelling eene kleine verandering. In de vacature, ontstaan door het bedanken van den heer Stassen, vanaf de oprichting lid van het Hoofdbestuur, werd door de Alg. Verg gekozen de heer Mr. C. de Kempenaer te Arnhem. Het Hoofdbestuur kwam te Utrecht, de zetel der Vereeniging, viermaal bijeen. Een beknopt verslag dezer bijeenkomsten werd in het Maandschrift opgenomen.
Alg.Vergadering. Tweemaal werd een Alg. Verg. gehouden, waarop de meeste afdeelingen zich door een afgevaardigde lieten vertegenwoordigen. Op die van 13 April waren aanwezig 30 en op die van 17 Dec. 35 afgevaardigden. Ook van deze vergaderingen werden de verslagen in het Maandschrift opgenomen.
Examen. Voor het examen meldde zich geen enkele candidaat aan. Het werd dus niet gehouden.
Bibliotheek. Door het bedanken van den heer Bosch als bibliothecaris en als redacteur van het Maanschrift moest in beide vacatures worden voorzien. Als bibliothecaris werd door het H.B. benoemd de leeraar der Vereen, de heer v. Giersbergen, terwijl voor den tijd van één jaar werd benoemd tot redacteur van het Maandschrift de heer H. Stienstra te Frederiksoord. De bibliotheek werd dus verplaatst naar Wageningen, de standplaats van den leeraar. Zij telde einde 1908 ongeveer 100 nummers waarvan 58 aan de leden ter lezing werden uitgeleend. Aangeschaft werd een eenvoudige boekenkast ten behoeve der bibliotheek.
Afdeelingen en Ledental. In aanmerking genomen de slechte uitkomsten der bijenteelt in de 3 laatste jaren, bestond er alle reden om te vreezen, dat zulks nadeeligen invloed zou hebben op het aantal afdeelingen en op het getal leden.
Gelukkig is die vrees niet bewaarheid. Slechts ééne afd., die te Drunen, werd opgeheven. Maar tegenover dit verlies valt met vreugde de oprichting te constateeren van 6 nieuwe afdeelingen, n.l. Groningen, Venray, Mill, Elsloo, Aalsmeer en Schijndel. Telde de Vereen., volgens het in Juni verschenen jaarboekje, toen 46 afdeelingen, thans telt zij er 51, terwijl op dit oogenblik nog een drietal nieuwe afd. in wording zijn.
Met de toename van het aantal afd. vermeerderde ook het getal leden, al dient hierbij in het oog te worden gehouden, dat sommige der nieuwe afd., o.a Venray, Elsloo en Aalsmeer, haar leden voor het grootste deel onttrokken aan de oude, groote afd., n.l. Limburg en N.-Holland. Het ledental op 31 Dec. 1908 bedroeg 2380 tegenover 2206 op 31 Dec 1907. Een vermeerdering alzoo van 174 leden, wat hoopvol kan stemmen.
Leraar. Natuurlijk staan de werkzaamheden van dezen ambtenaar in nauw verband met het aantal afdeelingen en daar dit aantal aanzienlijk klom, werden ook zijne werkzaamheden meerder. Hield hij in 1907 43 voordrachten in de verschillende afdeelingen, in 1908 steeg zulks tot 61, terwijl hij in den zomer nog 21 practische lessen gaf.
Hierbij komen nog de inspectie der leerstallen, bezoeken aan markten en tentoonstellingen, enz,, behalve de vele dagelijksche regelmatig terugkeerende bezigheden, zoodat het meer en meer duidelijk wordt, dat één ambtenaar absoluut onvoldoende is.
De aanstelling van een tweeden leeraar mag wel noodzakelijk worden geacht.
Slot. Met dank aan het Hoofdbestuur en de Afdeelingsbesturen voor de ook in 1908 ondervonden welwillendheid en steun en met den wensch, dat 1909 voor alle imkers een overvloedigen honigoogst moge geven, eindigt onderget. zijn verslag.
Wageningen, Jan. 1909. B. WIGMAN.
-------
Nadat het verslag onder dankbetuiging voor kennisgeving is aangenomen, wordt door de Afdeelingen Arnhem en Brummen verslag uitgebracht over de rekening en verantwoording van 1908.
Spreker roemt de inrichting der rek. en verantw. door den penningmeester, waardoor het nazien ervan heel gemakkelijk viel en leidt hieruit af, dat de financiën der Vereeniging accuraat en nauwkeurig worden beheerd. Namens de comm. stelt hij voor, de rek. en verantw. goed te keuren.
Voor ‘t nazien van het geldelijk beheer over 1909 worden aangewezen de Afdeelingen Scherpenzeel en Veenendaal, die zich daarmede wel willen belasten.
De Voorz. merkt op, dat het saldo der Vereeniging sterk achteruit gaat. In 1907 bedroeg het f 897.20, in 1908 daalde het tot f 232.87½ . Het is dus zeer noodig dat er zuinig gewerkt wordt.
Hier volgt thans de rekening en verantwoording.
Rekening en Verantwoording der Vereen. Bijenteelt over het jaar 1908.
ONTVANGSTEN.
1. Voordeelig saldo over 1907...... f 897.93
2. Rijkssubsidie over 1908..... f 2700.—
3. Quotum van 2335 leden ad 50 ct….. f 1167.50
4. Quotum van 45 verspreide leden ad f 2.— …… f 90.—
5. 40% Opbrengst advertenties Maandschrift….. f 104.39
Totaal ontvangsten ...........f 4959.82
UITGAVEN.
1. Kosten Maandschrift
2e kwartaal f 180,05
2e kwartaal f 180,05
3e kwartaal f 180,05
4e kwartaal f 180.92
Totale kosten maandschrift .......f 721.07
2. Honorarium medewerkers........ f 29,37½
3. Vergoeding Redacteur …... f 100,-
4. Kosten Bibliotheek.........f 129.51½
5. Vergoeding Secret Penn......... f 400.—
6. Contributie Ned. Landbouw Comite.…. f 20.—
7. Contributie Landh. Congres........f 2.50
8. Reis en verblijfkosten,
a. Hoofdbest.... f 194, 60
b. Afgevaard..... f 259,28
c.. Redactie..... f 28,70
Totale reis en verblijfkosten f 482,58
9. Kosten van zaalhuur........ f 10,—
10. Buitengewoon drukwerk....... f 275,30
11. Subsidie tentoonstelling Apeldoorn...... f 25,—
12. Subsidie aan 14 Leerstallen ad f 10.— .......f 140,—
13. Huur voor een schuurtje bij Leerstal te Bennekom….. f 10,—
14. Bureau- en Adm kosten:
a. Voorzitter ….. f 6.98½
b. Secr. Penn. ….. f 155.45½
c.Redactie ….. f 21.07½
Totaal bureau- en Adm. kosten ….. f 183.51
Leraar:
a. Salaris ….. f 1050.—
b. Reis- en verblijfkosten..... f 792.62
c. Porto’s.......f 38. —½
d. Administratiekosten....... f 18.87½
e. Bijdrage huur rijwiel ...... f 50.—
j. Premie levensverzek....... f 87.41
g. Aansch. leermiddelen ...... f 145.02
h. Vervoer leermiddelen ..... f 6.21
i. Gloeikousjes en Spiritus.…. f 8.80
j. Advertentiekosten ....... f 6.65
Totaaal leraar ….. f 2198,89
Totaal uitgaven ........f 4726,94½
BALANS.
Ontvangsten ....... f 4959,82
Uitgaven ........f 4726,94½
Batig saldo..................f 232,87½
-------
Nu volgt de verkiezing van drie leden voor het Hoofdbestuur, wegens periodieke aftreding der H.H. G. Baron de Grancy, F. Netscher en T.C. Hootsen.
Door het Hoofdbestuur waren voor de drie vacatures respectievelijk aanbevolen:
1. G. Baron de Grancy te Vucht.
2. Mr. C. de Kempenaer te Arnhem.
1. F. Netscher te Santpoort.
2. Th. van Welderen Baron Rengers te Oenkerk.
1. T.C Hootsen te Hoevelaken
2. L. Moubis te Blerick.
Van de bevoegdheid der Afdeelingen om volgens art. 8 H R. namen van Candidaten bij den Alg. Secretaris op te geven was geen gebruik gemaakt.
In het geheel konden 60 stemmen worden uitgebracht. Voor het voorzitterschap ontving de heer G. Baron de Grancy 60 stemmen. Voor dat van onder-voorzitter werden 51 stemmen uitgebracht op den heer F. Netscher, 7 op den heer Rengers en op den heer Mr. de Kempenaer 2.
Voor gewoon lid ontving de heer Hootsen 49, de heer Moubis 6 de overige stemmen waren verdeeld over vier personen.
De voorzitter deelt mede, dat hij zijne herverkiezing voorloopig wil aannemen, ofschoon zijne vele bezigheden hem haast noodzaken het voorzitterschap der Ver. neer te leggen. Dit besluit wordt door de verg. met applaus begroet.
De heer F. Netscher verklaart het onder-voorzitterschap gaarne opnieuw te willen aanvaarden maar stelt er prijs op aan de vergadering bekend te maken, dat hij niet betrokken is bij eenigen handel in bijenartikelen maar eenvoudig bijenliefhebber en niet commissaris van Keltings bijenpark is, zooals door sommigen werd beweerd.
Ook de heer Hootsen geeft te kennen, dat hij met genoegen zitting wil blijven houden in ‘t bestuur der Ver. voor Bijenteelt.
Alsnu was aan de orde een ingezonden motie van de Afdeeling Haaksbergen, aldus luidende:
Het Bestuur der Afdeeling ,,de Heidebloem” te Haaksbergen overwegende: dat er in ons land nog verschillende Afdeelingen zullen worden gevonden, waar de ouderwetsche strookorf veel te wenschen overlaat, en gewoonlijk lijden aan te weinig broedruimte en te dunne wanden; tevens de wenschelijkheid inziende van een uniformen korf over geheel ons land; inziende het groote nut om onder de Imkers het vlechten van hun eigen korven aan te moedigen; gezien
de resultaten verkregen met den gehouden vlechtwedstrijd in hare afdeeling, in den winter van 1908—09; geeft het Hoofdbestuur in overweging, om in de algemeene vergadering van Donderdag 22 April 1909, de wenschelijkheid te bespreken, om in den winter van 1909—1910 vanwege de Vereeniging tot Bevordering der Bijenteelt in Nederland, een wedstrijd in het korfvlechten onder hare leden uit te schrijven.
Namens het Bestuur der Afd. ,,de Heidebloem”
G. MOLENVELD, Voorz.
S. FRANKENHUIS, Secret.
De Voorz. wil de motie wel in bespreking brengen maar merkt op, dat de financiëele toestand der Vereeniging niet toelaat een onderneming aan te gaan, als de motie bedoelt. Bovendien vindt hij het veel wenschelijker, dat iedere afdeeling, zoo ze hierin belang stelt, zelf een dergelijken wedstrijd uitschrijft. Op deze vergadering kan alleen gesproken worden over de wenschelijkheid van het houden van den in de motie genoemden wedstrijd.
De heer Frankenhuis zegt, hoewel onvoorbereid, de motie wel nader te willen toelichten, ofschoon er weinig resultaat van te verwachten is, nu geldgebrek de uitvoering er van toch onmogelijk zal maken. Hij meent, dat het leeren vlechten van een goeden korf en het gebruik daarvan, geleidelijk zal voeren tot den lossen bouw. De kleine zwermen van den tegenwoordigen korf verhinderen het slagen bij den lossen bouw.
Hij wil het gevoelen der vergadering hooren, en dan zien, waar het geld vandaan moet komen.
De heer Kelting zegt, dat hij het resultaat van den wedstrijd te Haaksbergen met genoegen
heeft gezien; hij meent echter, dat het beter is zich toe te leggen op het vlechten van boogkorven. Bovendien vindt hij het noodig, dat er een keuring plaats heeft van kasten, waarvan er hoe langer zoo meer soorten komen, waaronder vele onbruikbare. Hij zou willen, dat de wedstrijd zich ook over kasten zou uitstrekken.
De Voorz. antwoordt, dat dit geheel buiten de motie omgaat. De heer Tukker vraagt, zou ‘t niet den verkeerden weg opgaan, wanneer op de motie werd ingegaan; de losse bouw is ‘t toch, dien we moeten hebben. Een overgang te zoeken van vasten naar lossen bouw is niet mogelijk. Zoo dit toch moet, dan zou het over den boogkorf moeten gaan. Geld op deze wijze voor vasten bouw besteed, is weggegooid. Laat men zich oefenen in timmeren, daar zal meer profijt van getrokken kunnen worden. In Amerika werkt men wel met lossen bouw, als men pas eene koningin van eene werkbij weet te onderkennen.
De heer Hoomoet wil, dat de afgevaardigden er in hunne afdeelingen van spreken, om ‘t zelfde te doen, als te Haaksbergen is geschied, zonder de kas der Vereeniging aan te willen spreken.
De heer Frankenhuis zegt, dat hij de meening van eenige groot-ijmkers nu heeft gehoord, maar dat hij gaarne zou willen, dat de anderen zich ook eens uitspraken. Hij meent, dat dan wel zou blijken, dat men algemeen toestemt, dat de korven in slechten toestand verkeeren. De strookorf is nog steeds het troetelkind der klein-ijmkers en ‘t streven naar een beteren korf, zal tegelijk de weg wezen naar den lossen bouw.
De Voorz. verklaart, dat geen groote som op een volgende vergadering zou uitgetrokken kunnen worden, voor een zaak, die blijkt niet algemeen begeerd te worden. Hij blijft er bij, dat iedere afdeeling het zelf moet doen.
De heer F. meent, dat iedere afdeeling niet zooveel zal kunnen doen, als de geheele Vereeniging en dat deze ook voordeeliger zal kunnen gaan.
De heer Netscher zegt, dat men er niet komt met het houden van wedstrijden, maar dat er onderwijs in ‘t korfvlechten moet gegeven worden.
De heer Beil merkt op, dat de Vereeniging reeds lang erop uit is geweest de korven te verbeteren. Reeds in ‘99 is aangevraagd om een prijs toe te kennen aan den klokvorm.
Veel volken sterven door te dunnen wand, waardoor ook schimmel wordt veroorzaakt; daarom hebben de keurings-Comm. voor zoover hij weet, steeds den dikwandigen korf op den voorgrond geplaatst. Wenschelijk is één vorm, en dan de klokvorm. Hij keurt het echter af, dat hiervoor nu geld uit de kas der Vereeniging genomen wordt, maar elke afdeeling zou iets kunnen inzenden op een tentoonstelling.
De heer F. zegt, dat er onderscheid te maken is tusschen het houden van een wedstrijd en het leeren van korfvlechten.
In het eerste geval krijgt men korven van één model, in ‘t laatste geval zijn ze verschillend. Hij verklaart dat van de 9 deelnemers aan den korfwedstrijd er 8 waren, die nog nooit gevlochten hadden. Er wordt over de motie nog meer gediscussiëerd, en zoo komt ook het punt ter sprake of ‘t voordeelig is één model te hebben.
Enkelen zijn hiervoor, anderen er tegen. De heer Beil noemt als voordeel, dat bij den handel in korven de onderzetranden dan steeds zouden passen.
De heer Tukker zegt, dat, indien de vereeniging aanstuurt op één korf, ze dan ook één bedrijfswijze moet trachten in te voeren, dit gaat niet, daarom is hij er tegen.
De heer Esmeijer meent dat de vereeniging op een gevaarlijken weg is, als ze alleen gaat in de richting van korven. Ook het streven naar één model zou tot niets leiden. Gelderland heeft zijn slaapmuts, Drenthe weer een ander model van korf, men zal er nooit in slagen daar één model in te voeren. Meent de Ver. een wedstrijd voor korven te moeten uitschrijven, dan ook van kasten. Hij constateert, dat zelfs in landen, waar de kasten uitstekend zijn, zeven of meer modellen worden aangetroffen.
Het resultaat der motie is het besluit, dat het H.B. zal overwegen, wat in die richting is te doen.
De heer Netscher te Santpoort verzoekt den ijmkers hem propolis of voorwas, waarmede de bijen de openingen dicht kleven, te willen toezenden, omdat een scheikundige een onderzoek naar de waarde dezer stof wenscht in te stellen.
Verder deelt hij mede, dat hij opnieuw een onderzoek heeft doen instellen naar een produkt, dat als honig werd aangeboden, en in hoofdzaak slechts glucosestroop bleek te zijn. Hierover zal nader in het Maandschrift worden bericht. Wil men honig op vervalsching laten onderzoeken, dan kan dit plaats hebben op het rijksbureau te Leiden.
De heer Esmeijer dringt opnieuw bij het H. B. erop aan, dat dit stappen bij de regeering zal doen, die er toe zullen leiden tot afschaffen van den accijns op suiker voor zooverre deze gebruikt wordt als herfstvoeder voor bijen. Hij haalt eenige voorbeelden uit zijn practijk aan, die het nut van suikervoedering in den herfst bewijzen,
De voorzitter antwoordt, dat voortdurend reeds bij de regeering hierover is aangeklopt; maar dat het H. B. dit opnieuw zal doen en dan gebruik maken van de gegevens door den heer E. verschaft.
Bij het bespreken dezer zaak blijkt nog dat de heeren Esmeijer en Hootsen lijnrecht tegenover elkander staan over de wijze waarop de suiker moet worden toegediend, in water opgelost of droog. De wenschelijkheid werd geuit, dat de heeren deze zaak in ‘t Maandschrift zouden uitvechten. Welnu de red. wil hun daarvoor wel wat plaatsruimte geven.
Een vraag werd nog gedaan, waaraan het toe te schrijven is, dat de boekweitverbouw achteruit gaat. Verschillende oplossingen werden hiervoor genoemd:
De achteruitgang van de bijenteelt, die van ‘70 tot ‘98 gelijken tred hield met de vermindering van den boekweitverbouw. De achteruitgang der schapenhouderij, waardoor de noodige mest ontbreekt. Het gebruik van hulpmeststoffen, waardoor met meer voordeel andere gewassen kunnen worden geteeld. De hooge strooprijzen, vooral van rogge. Het te ondiep omwerken van den bodem. De onzekerheid van het slagen van den boekweitverbouw.
De voorzitter kon ten slotte deze geannimeerde en goed bezochte vergadering sluiten, onder dankbetuiging voor de aanwezigheid der afgevaardigden en leden en hun betoonde belangstelling.