JULI.
De berichten, die tot op eind Juni, nu ik dit schrijf, inkwamen, aangaande den toestand der bijenteelt in ons land luiden zeer verschillend. Over het algemeen schijnt de toestand nog al bevredigend. Hier kunnen we niet roemen.
Het is eerst, sedert een 14-tal dagen, dat de bijen merkbaar vooruitgaan. Deze vooruitgang is gekomen met den bloei van den acacia, eigenlijk is de naam Robinia pseudacacia. De acacia vormt een grooten, breed gekruinden boom, die in Juni met mooie trossen van witte, welriekende bloemen bloeit. De acacia kan gemakkelijk worden vermenigvuldigd, door het zaad begin April flink diep uit te zaaien. De nabijheid van deze boomen zit voor een bijenstand van veel waarde.
Voorgaande week en thans ook nog wel, vlogen de bijen sterk op den framboos, die men gemakkelijk voortplant door uitloopers, welke in het voorjaar worden uitgeplant ter lengte van 30 à 40 c.M. Ieder IJmker doet wel de teelt van frambozen, die zoo gemakkelijk is, zooveel mogelijk te bevorderen.
De vuilboom, Rhamnus Frangula, die men door zaad, door afleggers en door stek van kruidachtig gewas gemakkelijk vermenigvuldigt, verdient ook zeer de opmerkzaamheid van den ijmker. Het is ook op dit heesterachtig gewas, dat de bijen thans veel vliegen.
Straks bloeit hier de linde en daarop is vooreerst de verwachting.
Gisteren zag ik de bijen op het radijsboompje Symphoricarpus racemosus. Deze struik bloeit den geheelen zomer en wordt door de bijen druk bezocht. Ieder bijenhouder doet goed, dezen struik zooveel mogelijk aan te planten. Het is een aardige sierstruik, die zich tot laat in den winter tooit met witte bessen, vandaar den naam van radijsboompje, ook wel sneeuwbes.
De struik kan men vermenigvuldigen door stek van rijp hout.
Na deze uitwijding komen we op den aanvang van dit artikel terug en als vervolg daarop moeten we opmerkem, dat de vooruitgang der bijen in de laatste week van Juni niet meer dan matig was. De volken, die op zwermen staan, konden deze niet eens afgeven, wegens het mingunstige weer. Een volk, dat 26 Juni reeds floot gaf tot heden, 30 Juni, den nazwerm niet af.
Zooals het hier is, is het echter niet overal en daar het zeer wenschenswaard zou zijn. als het Maandschrift elke maand een overzicht kon geven van den stand der bijenteelt in ons land, zoo roep ik hier de medewerking op van belangstellenden. Het zou toch zeer goed gaan, als de Secretarissen der verschillende afdeelingen elke maand een briefkaart zonden aan de redactie, waarin zij in het kort vermeldden, hoe de toestand in hunne afdeeling was. Als loon voor dezen arbeid ontvingen zij dan, en met hen alle leden, een overzicht van den toestand over het geheele land. De kennis van dien toestand is voor vele ijmkers toch een zaak van belang.
Ik verzoek daarom nogmaals beleefd en met aandrang, dat men hierin de redactie zooveel mogelijk wil steunen.
Daar het Maandschrift lezeressen en lezers van dit nummer eerst na half Juli bereikt, willen we thans nog iets zeggen over mogelijkheden, die zich dan nog kunnen voordoen. Krijgt men in half Juli nog zwermen, dan is het ‘t beste, deze niet aan te nemen, maar op den moederstok terug te brengen. Hoe moet men dit aanleggen?
Gesteld, dat een voorzwerm afvliegt. Men moet dan beginnen met het wegnemen van alle koninginnecellen. Dat is echter meestal onvoldoende, het volk bouwt na de vereeniging opnieuw koninginnecellen en gaat toch zwermen. Men moet daarom, behalve de koninginnecellen, ook een deel van het broed of het geheel en al wegnemen, en vervangen door uitgebouwde raampjes of kunstraat. Beter nog is het, de koningin te vervangen door eene jonge bevruchte koningin.
Is het een nazwerm, die afvliegt, dan handelt men om te voorkomen, dat deze opnieuw afvliegt als volgt. Alle koninginnecellen worden voor de vereeniging verwijderd. Daar dit niet altijd gelukt, vooral niet bij vasten bouw kan men ook het volgende middel beproeven, dat door den bekenden ijmker Gravenhorst het eerst in toepassing is gebracht.
Den nacht, die volgt op de wedervereeniging van moedervolk en nazwerm, wordt de woning op lucht gezet. Dat wil zeggen, men richte het zoo in, dat gedurende den nacht een koude luchtstroom door het volk trekt. Is het niet koud, dan kan men het volk den nacht na de vereeniging in een kouden kelder plaatsen. Deze behandeling heeft meestal het gewenschte gevolg. Werpt men alleen, zonder moer, den zwerm op den moederstok terug, dan heeft men, den eersten mooien dag den besten, na de vereeniging gewoonlijk opnieuw een zwerm.
Er zijn natuurlijk wel gevallen denkbaar, dat men met voordeel om dezen tijd een voorzwerm kan aannemen. Wanneer men b.v. over een velletje, d.i. een korf met werk beschikt, en bovendien in staat is, aan het afgezwermde volk een eierleggende jonge koningin te verschaffen.
Een ongemak, dat om dezen tijd, voor wie op laten dracht imkeren, kan treffen, waardoor al zijn goede verwachtingen in rook opgaan, is de zwermlust van voorzwermen. Het is niet gemakkelijk dezen zwermlust met succes te bestrijden zonder krachtig op den toestand in te werken. Het verwijderen van koninginnecellen, waarvan men er zoo gemakkelijk eenige over het hoofd ziet en het uitsnijden van darrenraat blijkt meestal onvoldoende. Gewoonlijk begint het volk onmiddellijk weer het vernielde in denzelfden toestand terug te brengen, en men is nog meer achterop. Daarom krachtig inwerken en dit bestaat hierin, dat men het zwermlustige volk aftrommelt en eveneens een opgezetten nazwerm.
De nazwerm komt in de woning van het zwermlustige volk, waaruit koninginnecellen en darrenbroed verwijderd is en het zwermlustige volk komt in de woning van den nazwerm.
Beide varen hierbij wel en het meest de ijmker.
De zindelijkheid zij den ijmker bij vernieuwing aanbevolen. Alles wat niet onder de korven of op de bodemplank behoort, worde geregeld verwijderd en men zal van wasmot niet te lijden hebben.
Hierbij geven wij ditmaal een plaatje, dat een gezicht voorstelt op Keltings Bijenpark te Santpoort, waarover wij een volgend maal een artikel hopen te geven.
H. Stienstra, Frederiksoord, 30 Juni 1909.