Weinig of veel bijen met betrekking tot het honigverbruik.
*)(Mijn antwoord aan den heer van Os).
*) Wij hebben om de lengte van het stuk hier en daar iets weg moeten laten. RED.
Naar aanleiding van het schrijven van den heer van Os, acht ik het goed, nog eens weer over deze zaak iets in het midden te brengen.
Eerst zegt de heer van Os, dat een sterk volk niets meer verteert, dan een zwak, alsof hij werkelijk wil zeggen, dat een groote hoeveelheid bijen niets meer verbruikt dan een kleiner aantal. Later zegt hij echter, dat een sterk volk naar evenredigheid niet zooveel verteert, als een klein volk. Maar daartusschen laat hij duidelijk doorschemeren, dat hij eigenlijk wil zeggen, dat een sterk volk nog niet eens zooveel verteert.
Hij zegt immers, als ik een volkje heb overwinterd, dat van begin Oct. tot begin Maart niet meer dan 3 pond suiker verbruikt heeft, dan moet dit wel een betrekkelijk groot volk zijn geweest. En, zegt hij, als een korf van 40 pond tegen ‘t voorjaar soms niet meer dan 25 pond weegt, dan zal die korf wel minder bevolkt zijn geweest. Ziedaar dus de eigenlijke bedoeling, die er in schuilt.
‘t Is nu echter juist niet zoozeer mijn doel, mijn tegenpartij te bestrijden, maar meer om eens uit te leggen, hoe ik hierover denk en wat mij hierin ervaren is. Ook doe ik het mede, omdat ik wel al vaker in ‘t Maandschrift heb zien beweren, dat veel bijen minder gebruiken dan weinig bijen. Wij laten dan ook in ‘t midden, wie van ons beiden gelijk heeft. Ik zal nu mijn bedoeling eens beter uiteenzetten. Het volkje, dat slechts 3 pond suiker verteerde, was een klein zwermpje. Wel was het behoorlijk op tijd in den korf gekomen, zoodat het den honig, dien het bezat, in een vrij lang tijdsverloop had binnengehaald, en daar het bovendien een drogend jaar was, was het voedsel zeer rijp en dus gezond. Het korfje was slechts nauwelijks half vol gebouwd, en ieder begrijpt, dat zoo ‘n volkje onmogelijk veel bijen had. Toen het dan ook wat kouder werd en de bijen bijeen trokken, waren de raten lang niet bezet. Echter, naardat het een kleintje was, zat het mooi in ‘t volk. Ik gaf den suiker bij, en stopte later een stukje iemslar, ongeveer ter grootte als de wijdte van den korf, op de rij spijlen, die het dichtst bij de raten waren, en dekte den korf toen van buiten ook met een iemslar, en een zode op den kop. Tusschen het larretje en de plank bleef nog een handbreed ruimte, zoodat de waterdamp goed kon doortrekken en er een goede ventilatie bleef. Het volkje zat echter mooi warm.
Een korf van 40 pond, is in ‘t voorjaar meestal zwaarder dan 25 pond, doch meer dan 30 pond weegt ze zelden. Maar dat een korf van 40 pond meer gebruikt dan een kleine, dit komt niet door weinig volk, maar door veel volk. Als een klein getal bijen gedurende den winter zooveel honig gebruikte, dan zouden ze wel aan loop sterven. Ieder weet, dat een zware korf gewoonlijk ook veel volk heeft, want de honig komt er in door het volk, en een klein volk is niet in staat, veel te halen.
Wel gebeurt het soms, dat een zwaar volk in den laatsten tijd het broed maken wat nalaat en dan aan ‘t einde van het gewin nu juist niet zoo heel veel bijen heeft, maar dit ligt aan den aard van zoo’n volk; dit kan met een kleine ook wel gebeuren. Doch gemiddeld hebben zware volken ook veel bijen en kleinere minder bijen.
Zet men twee volken op met beide evenveel voedsel, en ook een even gezond voedsel, doch het eene heeft veel volk en het andere minder, dan zal de korf, die het sterkst bevolkt is, in ‘t voorjaar altijd lichter zijn dan de andere. Zoo er echter nog voorraad genoeg aanwezig is, zoodat het nog broed kan zetten, en is daarbij het gewin vroeg, dan gaat dit sterke volk er mee door. Doch loopt het tegen, en wordt er soms haast tot half Mei of soms nog langer bijna niets gewonnen, dan wint de minder bevolkte het. Natuurlijk moet zoo’n korf zooveel volk hebben, dat het zich behoorlijk kan redden. Het heeft dan in dien tijd van schaarschte honig genoeg om broed te zetten, terwijl het andere, waar het voedsel eindelijk opgeraakte, daartoe niet in staat is, en de oude bijen langzamerhand verminderen.
Het volkje, dat ik dezen winter opzette, grootendeels met suiker, had een korf, meest volgebouwd met raten. Ik deed er daarom een klein verhoogsel onder, zoodat er genoeg bijen bij in konden. Ik voegde er zooveel bijen bij, dat ik in ‘t eerst de raten niet kon zien. Toen het wat kouder werd en ze bijeentrokken, waren al de tusschenruimten tot op nauwelijks een vingerbreed van onderen, dicht opeengepakt met bijen vol, alleen de achterzijden waren een weinig bloot. Het volkje had echter zooveel bijen als een zeer sterk volk. Het heeft dan ook van begin Oct. tot begin Maart ongeveer 7 pond suiker verbruikt.
De bijen waren gedurende den winter zeer rustig, er was geen smetje aan het vlieggat zichtbaar en haast geen doode bijen lagen er op de plank. Het had dan ook in ‘t geheel geen behoefte aan uitvliegen, al waren ze ook 3 maanden opgesloten.
Doch, het is mij een feit geworden, dat sterke volken veel meer gebruiken dan minder bevolkte. Naar evenredigheid zullen ze wel niet zooveel gebruiken, doch het loopt niet zoo heel ver uiteen.
Men kan wel zoo’n klein volkje door den winter brengen, dat niet meer dan een kilo suiker verbruikt, als men maar zorgt, dat de ruimte, die het verwarmen moet, zoo klein is, dat het niet verkleumt, doch tevens zorgt voor wat ventilatie, opdat het niet te vochtig wordt. Die het onderzoeken wil, probeere het maar eens. Hij moet dan een pond of drie suiker bijgeven, zoodat voor verhongeren niet te vreezen is. Is het een klein volkje, dan zal het misschien die 3 pond tegen begin Maart nog niet eens verbruikt hebben.
Er is mij nog nooit een volk doodgevroren, hoe klein ik ze ook wel al, voor de aardigheid, heb opgezet, daar zorg ik altijd wel voor. Dat een klein volk nu soms in een kast dood kan vriezen, kan misschien wel gebeuren maar de oorzaak van dat vermeende doodvriezen, kan ook wel iets anders zijn. (Zie mijn artikeltje ,,Iets over het inwinteren der bijen’, in het Januari-no., Jaarg. 1908).
Dat men echter soms meent, dat sterke volken niet zooveel honig verbruiken als zwakkere, is meest de oorzaak, dat men het zelden goed onderzoekt, daar ieder ijmker er natuurlijk naar streeft, sterke volken op te zetten, wat ook zeer zeker het beste is. En sterke volken hebben in den regel ook een groote hoeveelheid honig. Is er geen honig genoeg aanwezig, dan zorgen onze grootijmkers, wien het geld gewoonlijk niet ontbreekt, in den regel wel dat er suiker genoeg bij wordt gevoegd. Heeft een sterk volk ruimschoots voedsel genoeg, dan komt het gewoonlijk vooral met bijvoeging van suiker, zeer gezond door den winter. Daar men verder op zoo‘n 10 à 12 pond winter-voorraad rekent, en men het met een klein volkje zelden probeert, wordt men meestal het onderscheid niet goed gewaar.
Dat het de bedoeling niet was van den heer van Os, om aan te raden een groote hoeveelheid bijen bij te voegen, begreep ik zeer goed, maar ik haalde dit aan om te bewijzen, dat een groote hoeveelheid bijen veel meer verbruikt. En daar ik in zijn schrijven meende te lezen, dat het zijn bedoeling was, dat veel bijen minder eten dan weinig bijen, meende ik ook dat, als men een groote hoeveelheid bijen ging bijvoegen, het als van zelve een gevolg er van zou zijn. dat het honigverbruik er minder om zou wezen. Ziedaar mijn bedoeling. De heer van Os zegt echter, dat hij het nu juist zoo niet heeft bedoeld.
Als het werkelijk zoo was, dat veel bijen hoegenaamd niet meer gebruikten dan weinig, dan was het immers een schande, dat men de diertjes niet alle liet leven; dan was men immers van dat treurige werk af, en wat zou men dan in ‘t voorjaar sterke volken hebben.
Ik heb wel al lang geweten, dat veel bijen meer gebruiken dan weinig, en het is mij dezen winter een feit geworden, dat het zelfs zeer veel verschilt. Ik heb wel al veel vaker wat bijen bijgevoegd, maar dan bracht ik altijd de salpeter van onderen aan, zooals het vroeger wel eens in ‘t Maandschrift werd aanbevolen, maar daarvan leden de bijen veel te veel. Door den salpeterdamp vluchtten ze omhoog en pakten zich als ‘t ware boven in den korf samen, zoodat het dan haast onmogelijk was, ze er uit te krijgen. ‘t Was dan als ‘t ware een marteling en door de langdurige bedwelming leden ze zoo, dat vele niet weer bijkwamen en stierven er gedurende den winter nog vele aan de gevolgen.
Brengt men echter de salpeter met een pijp of een berooker van boven aan, dan vluchten ze naar beneden, en in een oogenblik zijn ze er uit. Zij leven dan direct weer op en lijden er hoegenaamd niets van.
Geeft men dan eenigen tijd daarna wat suiker bij voor de gezondheid, dan leven ze inderdaad meest alle den winter over. Voegt men vervolgens zooveel suiker bij, dat ze, na den winter te zijn gepasseerd, nog evenveel voedsel hebben, als voor het bijvoegen, dan zou men prachtige sterke volken hebben en zoodra er eerst maar iets is te halen, zou een groote hoeveelheid bijen direct zeer nuttig zijn.
Vooral in streken als te Amerongen, waar zoo’n vroege voorjaarsdracht is.
Misschien was het dan de onkosten wel dubbel waard, en welk een genot voor den ijmker, reeds in ‘t voorjaar zulke sterke volken te hebben, die bruisen op de raten. Niets zou mij dan ook meer genoegen doen, dan een middel te vinden om al de diertjes te laten leven. En ieder ijmker die liefde voort zijn bijtjes gevoelt, zal dit wel met mij eens zijn.
Ik geloof ook, dat Frederike J. van Uildriks dit goed zal vinden, want ook zij zal als bijenvriendin, die liefde heeft voor de edele diertjes, en dus een open oog voor het schoon der natuur, medelijden gevoelen en bewogen worden over het treurig lot, dat de bijtjes wacht. Ook zij zal een steentje willen bijdragen, tot afschaffing van de doodstraf op de onschuldige diertjes; ja, erger nog, die ten volle het leven hebben verdiend.
Mijn korfje, grootendeels met suiker opgevoederd, is nog altijd mijn mooiste volkje. Doch, ik heb het eigenlijk van ‘t voorjaar nog lang niet genoeg gegeven. Maar er waren zoovele, die om hulp riepen, en mijn arm geldzakje moest er geducht onder lijden.
Toen het weer in ‘t laatste deel van Mei beter werd, was de paardenbloem hier bij mij al over het beste heen, zoodat ze er niet zoo heel veel op hebben gewonnen. In Wildervank echter, vooral aan den Westkant, waar nog al wat oud groenland is, met een lagen, pikkerigen bodem, waar de paardenbloem welig tiert, hebben de korven nog meest de zwaarte weer herkregen van verleden herfst, en dit gaat wel.
Op de Groninger kleigronden moeten ze het zeer goed hebben gemaakt. Hier hebben ze na de paardenbloem, door de zeer aanhoudende droogte, en ‘t dorre weer, weinig gehaald. Zoodat ik wel genoodzaakt was, lang te voederen. En wanneer eindelijk de hoop, de ster die nog schittert in de blinkende meent, begint te tanen, tot haar licht ten laatste geheel verbleekt en de natuur nog geen uitkomst biedt, dan wordt het mij duister in het gemoed. En als ik dan verneem, dat wat verder naar ‘t Zuiden van ons land, de honigbronnen soms zoo vroegtijdig vloeien, dan zou ik mij op vleugelen willen begeven en spoeden mij daarheen, dààr, naar dat heerlijk lustoord, naar Amerongen’s schoone dreven.
Dan gevoel ik soms, dat heimelijk leed: Ach, waarom is dat ook hier niet zoo vroegtijdig? Hoe kort zou dan de winter zijn! Nu echter heeft het eenige keeren wat geregend, er komt, trots de zeer aanhoudende droogte, nog al wat klaver voor den dag.
Met dit weinigje regen begint alles op te fleuren. De bloeiende paardenboonen verspreiden haar geuren door de lucht, en alles riekt hier zoo aangenaam, alsof de aarde een tapijt was, met reukwater besprenkeld.
Misschien kan er nog veel meer goed worden. Maar ‘t is al reeds vrij laat in den tijd.
F. DE VRIES, Juni 1909.