Het leven der bijen.
(Vervolg van pag. 63, april ‘09.)
De werkbijen daarentegen, die om voorraad uitgaan, de z.g. vliegbijen, hoe ijverig vliegen ze uit en in. Beladen als sommige zijn, zetten ze zich uitgeput op een grassprietje voor hare woning neder, om kracht te verzamelen, teneinde door het vlieggat heen in de woning te komen, om zich van den vermoeienden last te ontdoen.
Wat halen de vliegbijen dan zoo druk aan? In de eerste plaats hetgeen noodig is voor ‘t bereiden van den honig. Daartoe nemen ze mede den nektar, die zich bevindt op den bloem bodem der bloemen, en het kleverige vocht op de bladeren van sommige gewassen, dat soms in druppels naar beneden valt, de zoogenaamde honigdauw. Van nektar en van honigdauw maken de bijen honig.
De honig verschilt van den nektar niet alleen door een geringer gehalte aan water, maar ook door een andere natuur - eigenschappen - der suikers die hij bevat. In het lichaam der bij wordt eenferment aan den opgezogen nektar toegevoegd, dat den naam draagt van invertine. Een ferment is een stof, die zonder zelf te veranderen, belangrijke veranderingen kan teweeg brengen. Deze invertine nu maakt van den suiker, die in den nektar voorkomt, twee andere, glucose-(druivensuiker) en levulose-(vruchtensulker).
Verder haalt de vliegbij stuifmeel of pollen, ook wel brood genoemd, op. Dit stuifmeel moet in de spijsbrij, waarmede de aanstaande bijen worden gevoed. Het maakt daarvan het belangrijkste bestanddeel uit. Dit stuifmeel haalt de bij uit de helmknopjes der meeldraden.
Het is zeer aardig om na te gaan hoe de bij hiermede handelt. Het gaat bijna omgekeerd als met de wijze, waarop de bijen de was uitzweeten en bewerken, voor ze er cellen van bouwen.
Het stuifmeel wordt met de monddeelen tot balletjes gekneed deze worden met de voorpooten naar de middelpooten overgebracht en gaan vandaar naar de achterpooten. Aan den buitenkant der scheen van de achterpooten is een kleine holte met beweegbare haren, deze holte heet korfje. Hierin worden de balletjes van het stuifmeel neergelegd, en daar dit ook kleefstof, gluten, bevat, blijft het gemakkelijk zitten.
De balletjes worden tot een stuifmeelklompje samengekleefd en zijn betrekkelijk zeer groot te noemen. Steeds zijn de stuifmeelklompjes in de korfjes van elken achterpoot even groot en even zwaar.
Verder verzamelen de vliegbijen propolis, van het kleverige vocht, dat sommige blad- en bloemknoppen van boomen en heesters uitscheiden, om den inhoud, het jonge blad, te beschermen. De bijen doen dit op dezelfde wijze als met het stuifmeel. Men herkent echter gemakkelijk de bijen, die propolis ophalen want terwijl het stuifmeel ondoorschijnend en gekleurd is, geel, rood of een andere kleur, is de grondstof van het propolis flauwdoorschijnend en bijna kleurloos.
Het propolis dient om het vlieggat te verkleinen; maar ook als lijm om de raten aan de kanten sterk te bevestigen, om de wanden te bestrijken en alle spleten en openingen dicht te maken.
Ten slotte heeft de bij water noodig. Als de oogst niet overvloedig is en de nektar, die voldoende water bevat, niet kan worden opgehaald voor de vorming van het voedsel, haalt de bij water op uit slooten, beken, plassen enz. De ijmker maakt daarvoor dikwijls een drinkplaats en laat dan op het oppervlak stroosprietjes of iets dergelijks drijven, om den bijen een steun te bieden en te beletten, dat ze verdrinken.
Het is niet toevallig, dat de bijen dit water ophalen ze worden genoodzaakt dit werk te doen en George de Layens heeft zelfs door talrijke waarnemingen gevonden, dat het aantal waterdraagsters omgekeerd evenredig is met den oogst van den dag, dat wil dus zeggen, hoe meer nektar er wordt opgehaald, des te minder bijen zich bezig houden met het ophalen van water. Dit water n.l. moet dienen om den versuikerden honig voldoende vloeibaar te maken voor de samenstelling der spijsbrij voor de larven.
Keeren we thans terug tot onze op nektar uitvliegende werkbijen. Wat een moeite hebben ze niet vaak om tot den bloembodem der bloemen door te dringen, waar zich de nectariën of kliertjes bevinden, die den nektar uitscheiden. De meeldraden en de stijlen der stampers moeten ze vaak op zijde duwen, om in den nauwen bloemkelk door te dringen en soms is de kelk te diep, om den bloembodem te bereiken en den nektar op te zuigen.
Kunnen de bijen niet al deze moeielijkheden vermijden en eenvoudig de bloemkroon doorboren, om zóó bij den gezochten nektar te komen? Neen, daartoe zijn haar monddeelen te zwak. Andere grootere insecten vermogen dit wel te doen, zooals de hommels. Deze bijten bijv. vooral van de bloemen der tuinboon de bloemkroon stuk, ter hoogte, waar het gesuikerde bloemensap zit. Hiervan profiteeren later de bijen, om op haar beurt de gemaakte opening te benutten.
Ook hierbij heeft men opgemerkt, dat de bij niet dadelijk, als er zulke openingen gemaakt zijn, ertoe overgaat om daar te profiteeren; maar eerst na eenigen tijd, als de arbeid opnieuw geregeld is, en dan gaat ze er mee door juist deze doorboorde bloemen te bezoeken.
Hoe verdeelen de bijen nu onderling den arbeid en hoe vinden ze de honigbronnen? De bijen bevliegen een cirkel met een middellijn van ongeveer zes kilometer. In dit gedeelte heeft iedere bij haar werk. Bij het zoeken daarnaar bestrijden de bijen van verschillende volken uit den stand elkaar niet. Veeleer regelen zij onderling den arbeid zelfs met de bijen van een naburigen stand. ‘s Morgens, reeds voordat de zon opkomt, ziet men enkele bijen uit de vlieggaten te voorschijn komen. Het zijn de speurbijen, de verkenners. Men herkent ze aan de vliegwijze, al heen- en wedergaande en aan den bijzonderen toon harer vlucht. Zij zoeken, en als ze een nieuw honigend gewas hebben gevonden, dan wordt het gemeld en al spoedig is daar de vlucht op. De speurbij doet zelve daaraan ook mede.
Bij het zoeken schijnt de speurbij voornamelijk geleid te worden door hare sprieten. Want neemt men deze weg of zelfs als ze gewond zijn, is de bij als vliegbij ongeschikt. Het bijzondere zintuig der sprieten leidt de vliegbij beter dan het gezicht. Verschillende proeven hebben dit bewezen. Zoo stelde men nektargevende bloemen tusschen drie spiegels, waardoor een groot aantal spiegelbeelden ontstaan, maar nooit vergisten de bijen zich en deden geen enkele poging om de spiegelbeelden te naderen. Zoo plaatste men in een doos ook helgekleurde en nektargevende bloemen. De bovenkant van de doos was van glas, de zijkanten niet doorzichtig, zijdelings beneden was een kleine opening. Spoedig was deze opening door de bijen gevonden en de bijen deden geen moeite om van de glaszijde tot de bloemen door te dringen.
Als de speurbijen hun verslag hebben gedaan, wordt het sein gegeven en de vlucht is naar het aangewezen terrein. Aan iets anders wordt niet gedacht. Dit blijkt wel, als tijdens de vlucht de woning eenige meters wordt verplaatst. Alle vliegbijen komen op de ledige plaats. Niet een, die er aan denkt de woning op te zoeken, welke toch zoo kort bij is. Als onnoozelen loopen ze rond, waar voordien de korf of kast stond.
Plaatst men in een hoekje van den tuin een bord met honig, dan hebben de bijen dit plaatsje spoedig genoeg gevonden. Wanneer ze daarop nu eenigen tijd gevlogen hebben en men neemt het bord weg, dan zullen de bijen toch steeds op de plaats blijven zoeken, waar het bord stond en dit duurt wel soms enkele dagen. Het schijnt, dat deze bijen het order hebben van dat bord honig te halen en dat eerst een speurbij moet gemeld hebben, dat er niet meer te halen is voor aan deze bijen een tegenbevel wordt gegeven.
Zelfs wordt het volgende verhaald: Uit een vijver met waterplanten werd door de bijen water gehaald in een drogen tijd, zoodat er weinig bloemensap opgehaald werd. De bijen zetten zich op de bladeren dezer waterplanten, om zich met water vol te zuigen. ‘s Middags halfeen goot men stroop en honig op deze bladeren. De speurbijen, die ‘s morgens den omtrek nagingen, waren toen niet meer te bemerken. Wat deden nu de waterhaalsters? Zij bekommerden zich niet over de stroop en den honig, die op de bladeren lag, maar volgden het gegeven bevel, dat haar opgedragen was, n.l. om water aan te halen.
Ook omgekeerd kan bewezen worden, dat als de bijen zich met iets bezig houden, ze zich niet af laten leiden. Indien een drinkplaats aanwezig is en deze wordt vlijtig bezocht, omdat er water noodig is en men verplaatst de drinkplaats naar de plaats, waar nektargevende planten zijn, die door de bijen worden bezocht, dan zullen ze niet naar de drinkplaats gaan, ofschoon er watergebrek heerscht. Eerst als een speurbij de drinkplaats gevonden heeft en vervolgens bevel wordt gegeven hierop te vliegen, zal de vlucht worden gewijzigd.
Het is er mee, als met wat we zouden kunnen waarnemen in de straat eener stad. Een bakker verlaat den winkel met brood in zijn mand. Achteloos laat hij een brood vallen. Een viertal soldaten onder bevel van een korporaal komen voorbij. Ze zien wel het brood, maar hun doel is iets anders, ze laten het liggen. Vervolgens komen eenige straatslijpers voorbij. Zoodra ze het brood zien, is het voor hen.
Iemand, die dit waarneemt, zou er nu toe kunnen komen de menschen in twee soorten te verdeelen, daar ze, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zeer verschillend handelen.
Deze denkbeeldige waarneming is te vergelijken met die, welke wij waarnemen met de stroop en de honig onder het bereik van bijen en van mieren. De soldaten zijn de bijen, de straatslijpers de mieren. En werkelijk, de bijen nemen den honig niet, die haar niet bevolen is te halen; de mieren daarentegen worden niet expresselijk daartoe bevolen, zij nemen wat ze onderweg vinden.
Dit komt omdat de bijen slechts bestaan door de gemeenschap, de massa bestaat uit éénheden; terwijl bij de mieren omgekeerd de éénheden de massa vormen, zij zijn republikeinen.
H. Stienstra.