Van den Bijenman.

Met genoegen las ik het artikel van den heer A. HARTKAMP. Dit geeft mij het bewijs, dat ons Maandschrift er in hoofdzaak kan toe meewerken om de mannen der practijk tot elkaar te brengen. Moge uw voorbeeld dus meer en meer navolging vinden.

Het is wel hard om een oordeel over een groot deel der mij omringende ijmkens, als in mijn vorig artikeltje bedoeld, uit te spreken, doch het is er niet minder waar om.
In uwe omgeving, die ik al eens eenige keeren heb bezocht, wordt gelukkig op een betere manier gewerkt, dan in deze streek. Reeds herhaalde malen heb ik in de plaatselijke bladen, in mijne buurt verschijnende, hierop gewezen, en zal dit ook wel zoo zachtjes aan doel treffen.
Het zwermen, zwermen en laten zwermen, zit er hier zoo dik in en is in hoofdzaak ook de schuld dat er zulke lichte volken worden opgezet.
Een en ander geeft mij dan ook aanleiding om „mijn bijenstand in 1909" te beschrijven. De fouten, die ik hierbij heb gemaakt, laat ik mij gaarne aanwijzen, volkomen instemmende met het gezegde; niemand is te oud om te leeren,

Mijn bijenstand dus. Als opzetters stonden l November '09 op de plank: 5 dikwandige korven, klokvorm met spongat en 2 Thüringer kasten. Alhoewel met voldoende voedsel, bestaande voor het meerendeel uit suikerstroop, ingewinterd gingen van de korven twee verloren aan de „loop". De eene kreeg deze ziekte door een abnormaal geval, doordat onze kleine jongens een kip achterna joegen en deze met veel geweld op een korf vloog, waardoor de bijen hevig werden verontrust en uit den korf kwamen. Dit geschiedde einde December '08.
De beide Thüringer kasten waren ook ingewinterd in hoofdzaak op suikerstroop, met half uitgebouwde raten. Deze hebben prachtig overwinterd; doch door de half uitgebouwde raten veroorzaakten deze veel werk.

Het jaar 1909 kenmerkte zich.als een bij uitstek slecht jaar met een koud en guur voorjaar, waardoor de ontwikkeling der volken zeer laat tot stand kwam,
Om eens een nieuw soort bijen te krijgen kocht ik einde Mei van een kundig en bekwaam ijmker drie prachtvolken in klokvorm korven, voor den prijs van f 12.— per stuk. Deze onderscheidden zich het geheele jaar door betere eigenschappen dan mijn eigen volken en waren dan ook niet te duur gekocht.
Deze volken gaven mij het bewijs dat teeltkeus een der gewichtigste zaken is, om zijn stand te verbeteren.

Alvorens tot detailleering van de verschillende volken over te gaan, moet ik de hoofdtrekken van mijn bedrijf memoreeren.
Zooals hier algemeen het gebruik is, ging ook ik nog heen om den eersten zwerm, oude koningin, af te jagen. Hierdoor werden de drie gekochte volken tot zes vermeerderd. Dit geschiedde om hiervan zoo veel mogelijk opzetters te krijgen. Jonge zwermen werden hiervan slechts twee aangenomen. Want ik wilde geen zwakke volkjes.

De ondervinding heeft mij echter geleerd dat het aannemen van een ouden koninginnenzwerm in de meeste gevallen geen gunstig resultaat oplevert. Plaatst men deze in een ledigen korf, zoo is het haast zeker, dat deze later toch nog weer zwermt, waardoor de honingoogst grootendeels verloren gaat. Kan men een dergelijken zwerm op uitgebouwde werksterraat plaatsen, dan heeft men van uitzwermen niet zoo ligt last. Toch blijven deze stokken uiterst werkzaam en vereischen veel zorg en oppassing.
Óók leerde mij de ondervinding dat het grootste honinggewin hier valt in de maand Juni, ten tijde dat de klaver bloeit.

De laatste jaren zijn hier veel heidegronden ontgonnen tot weide. Om hiervan zooveel mogelijk te profiteeren moeten onze volken vroegtijdig met zwermen klaar wezen of dit opschuiven tot in Juli. Dit laatste nu kan enkel geschieden bij lossen bouw, doordat men uitgebouwde ramen of heele ramen met kunstraat van tijd tot tijd tusschenhangt. Om bij vasten bouw op een zeker succes te kunnen rekenen, is het naar mijne meening het beste om de oude koningin in 't voorjaar zooveel broed af te persen als mogelijk is, en na het afzwermen deze dood te maken en de bijen te laten terugvliegen. De jonge koninginnenzwerm kan men dan aannemen, doch dan slechts één zwerm, en wordt zoodoende tamelijk groot, waarvan men later het meeste pleizier kan hebben.

Ik weet dat deze methode bij verscheiden ijmkers volgens ouden stijl, veel tegenwerping zal ondervinden. Wat, wil jij de eierleggende oude koningin dood maken, hoor ik deze zeggen Doch ik zeg u, geeft acht bij uw eigen stal, of gij van deze oude broedbaksters ooit veel pleizier hebt gehad. Begin maar eens te rekenen van ei tot vliegbij, en zie dan eens of de stilstand van drie weken in den broedstand, met het oog op de dracht, wel zoo erg is. Ik wil u vragen: hoe gaat het bij de kippen? Worden deze ook zoo lang gehouden tot het laatste ei gelegd is! Wij willen aannemen, dat de oude koningin einde Mei in een ledigen korf wordt geplaatst en de jonge koningin drie weken later weer eieren legt, dan krijgen wij van de oude koningin midden juli de eerste vliegbijen en van de jonge begin Augustus. Dus nog vroeg genoeg om van de wisselvallige heide te profiteeren. Hier staat tegenover, dat ons standvolk bij de oude methode in drie tot vijf stuks staat, terwijl bij mijne methode iedere korf slechts tot twee wordt vermeerderd met in hoofdzaak vliegbare bijen. Het is echter raadzaam eenige jonge koninginnen in voorraad te houden, daar het heel dikwijls voorkomt, dat een koningin op de paringsvlucht verloren gaat. Plaatst men een jonge zwerm op geheele ramen met kunstraat en treft men hierop een goede dracht, dan kan men verzekerd zijn, dat een dergelijke flinke zwerm een tamelijk beschot aan honing kan leveren. Op alle stallen, die ik in dezen zomer bezocht, zag ik steeds bij dergelijke volken, wanneer de zwerm op tijd was gekomen, een flinken voorraad honing.

De oude koningin daarentegen heeft de onhebbelijke gewoonte om later met haar verzamelden schat op reis te gaan en hebben de ijmkers meestal het nakijken. Dit gebeurt gewoonlijk om een tijd, dat de meeste welgestelde menschen uit gaan, de boer met den hooioogst te druk is, en zich van de verdere maatschappij niet veel kan en wil aantrekken. Ik geloof dan ook vast dat zoo'n oude koningin ook al in onzen modernen tijd, gemoderniseerd is, om ook de baden te gaan gebruiken

Bij mijn korven met vasten bouw gebruikte ik dit jaar z.g. opzetkastjes. De geschikste korven hiervoor zijn de oude broedkorven, wanneer deze niet te kaal zijn afgezwermd. Met het opzetten der kastjes wacht men zoolang, totdat het volk op de plank ligt en zet dan het kastje onder. Na eenige dagen beginnen de bijen hierin te werken en plaatst men het kastje dan bovenop, nadat men den korf heeft omgekeerd; d.w.z. den korf op zijn kop. In dergelijke korven ware het wenschelijk, dat hierin een tweede vlieggat werd aangebracht, om het vervliegen der bijen en het zoeken naar het vlieggat door de bijen te voorkomen. Ik heb dit verholpen door tusschen het kastje en den bovensten korfrand een stukje hout te steken van 1 c.M. dikte en op een afstand van 8 c.M. weer een. Hierdoor ontstaat dus een tweede vlieggat. De overige opening tusschen kastje en korf werd volgesmeerd met klei. De bijen werkten hierin prachtig, en had de weersgesteldheid eenigszins meegewerkt, dan zouden deze korven prachtige tafelhoning opgeleverd hebben.
Het ware wenschelijk dat al onze ijmkers zich hierop eens toelegden, zoodat in de groote vraag naar tafelhoning kon worden voorzien.

Reeds het vorige jaar (1908) leden mijn bijen aan een ziekte, waarvan ik de oorzaak niet ken en tot nu toe niet kan opsporen. Dit jaar leden mijn korven in nog hevigere mate aan dit gebrek. Er kruipen op goede vliegdagen veel bijen voor den stal, die trachten te vliegen, doch hiervoor schijnbaar de kracht missen. Beschouwt men deze aandachtig, dan bemerkt men niets bijzonders, en zijn het hoofdzakelijk jonge bijen. Ten tijde dat de korenbloem bloeit, vond ik de meeste bijen met gescheurde vleugels. Op verscheidene stallen constateerde ik dezelfde ziekte, en is het raadzaam, dat door de verschillende ijmkers hierop in 't vervolg wordt gelet, om te trachten uit te vinden wat of hiervan de oorzaak is. Op verschillende tijdstippen werden eenige bijen ter onderzoek opgezonden, en naar men mij verzekerde, is men in deze richting werkzaam. Onze huisvriend, de oude ijmker, begint zich als autoriteit te gevoelen, daar hij blijft volhouden, dat de bijen in ons dorpje niet kunnen gedijen. Ik wil hopen, dat hij geen gelijk heeft.

Ook de wasmot is een gevaarlijke vijand der bijen; aan eigen lijve ondervonden. De twee Thüringer kasten hadden hiervan veel te lijden. Na de uitwintering was ik vergeten den bodem flink te reinigen. Of dit nu de hoofdoorzaak is geweest, dan wel of het aan het volk of de kast heeft gelegen, kon ik niet uitmaken. .
Als eindoordeel over mijn aanteekeningen mag ik gerust de gouden ijmkerspreuk gedenken:

Veel zwermen, weinig honing,
Weinig zwermen, veel honing.


“Bijenman” (alias S. Frankenhuis)

(Wordt vervolgd).



Volgens de beschrijving is de eerste ziekte de zg. Meiziekte. Men schrijft deze ziekte toe aan een darmverstopping. Veroorzaakt door een langdurig binnenzitten der jonge bijen, belast met de voeding der larven. Hebben ze eenige dagen binnen gezeten en volgt daarna geschikt weer om uit te vliegen, dan vertoont zich deze ziekte. De verstopping laat zich begrijpen, als men in aanmerking neemt dat de bedoelde bijen veel stuifmeel hebben te verwerken en dat hierin een deel onverteerbare stof voorkomt, die de verstopping veroorzaakt, vooral wanneer er eenige dagen niet gevlogen is.
Wat er tegen te doen? Dun vloeibaar voedsel geven met wat keukenzout, of een weinig glauberzout. De bijen die aangetast zijn en voor het vlieggat liggen, worden opgenomen en bij een sterk volk geplaatst, waar ze weer op haar verhaal komen. De meest broedrijke volken hebben er natuurlijk 't meest van te lijden.
De tweede ziekte is hoogstwaarschijnlijk de Nosema ziekte. Hierover volgt spoedig een artikel.

RED.