Mobielkorf „Twenthe."
Toen ik mij practisch begon onledig te houden met de bijenteelt, en besloten was om een aanvang te maken met den mobielbouw, stond ik geheel en al zonder eenige voorlichting. Ik had een groote dosis literatuur verslonden waarin verschillende systemen van woningen werden aanbevolen. Wat door den een warm werd aanbevolen, vond ik weer in een of ander tijdschrift of boek als een dwaalbegrip ter zijde gesteld.
Wie het losse-bouw-bedrijf op zijn stal wil invoeren, is daarom steeds aangewezen zelf eerst proeven te nemen. Daar dit met kosten gepaard gaat, is de eenvoudige ijmker hiervoor niet gemakkelijk te vinden. Ook is het een erg onprettig nadeel om zoo’n verscheidenheid van verschillende woningen op zijn stand te hebben.
Het tweede groote bezwaar aan de snellere verspreiding van het losse-bouw-bedrijf, is de tot nu toe nog al hooge prijs van een goede mobielwoning. Wanneer deze van hout moet blijven vervaardigd, staat het ook niet te voorzien, dat deze goedkooper kan worden gemaakt.
Hiervoor is hout en arbeidsloon nog een te dure grondstof. Ook is het niet elkeen gegeven, om zich de kunst van timmeren aan te leeren, en waar nu in de bijenwoningen-fabrieken de eerste werkkrachten worden gevraagd, is het toch niet aan te nemen, dat een eenvoudig ijmker het timmeren zooveel kan aanleeren om een goede bijenwoning te vervaardigen. Was dit echter wel zoo, dan zoude de fabriekmatige vervaardiging, waar alles machinaal geschiedt, hun nog slechts een poover dagloon overlaten.

Het eenigste aangewezen materiaal voor eene bijenwoning voor ons land, is dan ook het stroo. Een grondstof, die door iederen eenvoudigen ijmker zelf wordt verbouwd, of voor een klein prijsje verkrijgbaar is. De ondervinding heeft mij ook geleerd, dat het gemakkelijker is om het hanteeren van ring- en vlechtnaald aan te leeren, dan van schaaf en beitel.
Nu hebben wij in den boogkorf van Gravenhorst een mobielkorf bij uitnemendheid van deze grondstof vervaardigd. Edoch, heeft deze ook nog vele fouten, die de algemeene verspreiding in ons land in den weg staat. Evenzoo de Kanitz korf. Ook zag ik bij enkele ijmkers eene eigen vinding van een combinatie van mobiel met stabiel, welke ook geenszins in den algemeenen smaak valt.
Mijn streven was er dus van den beginne op gericht om van stroo een mobielwoning te vervaardigen, die alle goede eigenschappen van een kast, van boven behandelbaar, in zich vereenigde.
Ik wil mij niet verdiepen in een algemeene theoretische beschouwing over de verschillende kasten en raampjesmaten, die de practijk mij aan de verschillende woningen aantoonde.
Het meerendeel der woningen, welke van boven behandelbaar zijn, hebben het nadeel om van onderen niet speculatief gevoederd te kunnen worden of dat, na de eerste groote reinigingsvlucht niet vlug de bodemplank nagezien en gereinigd kan worden. Ook hebben enkele een te groote broed- en te kleine honingkamer, met hun heele en halve raampjes.
Het gebruik van heele raampjes in broed- en honingkamer, om in het voorjaar het broed om te hangen, en zoodoende de woning tijdelijk in tweeën te deelen om een bevruchte jonge koningin te kweeken en later de volken te vereenigen, is bij vele uitgesloten.
Het vrij buiten plaatsen van mobielwoningen, zonder vasten stal dus, kan zich ook niet op den algemeenen bijval bij onze eenvoudige ijmkers verheugen. Ten eerste heeft het materiaal veel van weer en wind te lijden, tevens geeft het kasten, die bij ruw weer inregenen, en weer andere, die in koude winters te dun beschut zijn. Ook loopt er op een boerenerf te veel geboefte rond, dat weinig om bijenhouderij geeft, en er geen been in ziet om een geheelen stand den oorlog te verklaren.

Ook zit er bij onze plattelandsijmkers de liefde voor een vasten stal, een z.g. „schoer" te vast in. Dit heeft dan ook een groot voordeel bij het plaatsen van kasten, vrij op het erf, daar men in den stal zijne bijbehoorende zaken kan opbergen.
Al deze oorzaken deden mij er toe besluiten om te trachten een mobielkorf samen te stellen, die aan alle redelijke eischen voldoet, en daarbij door iederen ijmker zelf kan worden vervaardigd.
Ik vermeen dit gevonden te hebben in den mobielkorf „Twenthe". Eerlijk wil ik bekennen, dat de gemakkelijke behandeling van de Simplex-kast mij den rechten weg heeft aangewezen. De mobielkorf „Twenthe" heeft dan ook dezelfde ramen en inhoud als bovengenoemde kast.
Mij werd de opmerking gemaakt, waarom ik deze nieuwe mobielwoning niet uitrustte met een hoog raam, b.v. 36 X 25 c.M. binnenwerks. Ik wilde echter de bestaande raampjesmaten niet nog met een nieuwe vermeerderen, en ben de meening toegedaan, dat het raam voor mijn mobielkorf reeds genoegzaam verspreid is om reden van bestaan te hebben.
Ook leerde mij de practijk, dat de indeeling van deze nieuwe woning in streken met najaarsdracht, waarvan wij het in ons land voor een gróót deel moeten hebben, uitermate geschikt is om sectiehoning te winnen. Zooals de afbeelding dan ook aantoont, kan een sectiebak met 18 secties op dezen korf geplaatst worden.
De mobielwoning ,,Twenthe" bestaat uit twee strooranden van vijf centimeter dik, met aangevlochten uitsteekrand van 2½ c.M., waardoor de bovenste rand, wanneer deze op de onderste is geplaatst, bijendicht wordt afgesloten. Alle randen passen precies in elkaar, en is het omwisselen zoodoende erg gemakkelijk. In iederen rand is van onderen het vlieggat ingesneden, en komt dit zoodoende op de bodemplank. In den uitsteekrand is tevens op dezelfde hoogte een vlieggat ingewerkt, zoodat, wanneer twee randen op elkaar worden geplaatst, men naar behoefte dit kan gebruiken of niet.
Wil men dus in 't voorjaar het broed naar boven brengen, en de oude koningin met volk onderin op uitgebouwd werk of kunstraat plaatsen, en bovenin een nieuwe koningin kweeken, om dan later, na bevruchting van de laatste, deze volken weer te vereenigen, dan kan zoolang dit proces duurt, het tweede vlieggat gebruikt worden.
Deze mobielkorf heeft dus, evenals de boogkorf, geen bodemplank, doch dient de plank van den stal voor alle korven. Het spreekt dus van zelf, dat deze in verhouding van den korf flink breed moet zijn, en zuiver waterpas moet liggen. Dit geeft echter het voordeel, dat er tusschen raampjes en bodemplank genoegzaam ruimte bestaat om een laag schoteltje te plaatsen voor speculatieve voedering. Het is toch van algemeene bekendheid, dat dit beter tot zijn recht komt, wanneer dit van onderen wordt toegediend, dan van boven.
Ook kan men na de eerste reinigingsvlucht, door het optillen van den korf, de bodemplank gemakkelijk inspecteeren, of, wanneer men bij de inwintering er een stuk asphalt heeft ondergelegd, gemakkelijk verwisselen of wegnemen.
De raampjes rusten alle op den bovensten stroorand, en worden door W.B.C.-blikjes op den vereischten afstand gehouden. De overtollige ruimte tusschen de hanglatjes en buitenste stroorand wordt door houten latjes aangevuld, waardoor een rechthoek wordt verkregen en de raampjes naar geen enkelen kant kunnen verschuiven. Boven den boogkorf heeft deze dus dit voordeel, dat het lastige omkeeren is vervallen, en men niet behoeft te zoeken om den juisten afstand der raampjes te bepalen en het lastige vastzetten met nagels ook geheel vervalt.
Van boven wordt de korf gedekt met een verlakt kleedje en stroomat met huls en spon, waardoor het dus mogelijk is, om van boven met een voedertoestel te voederen.
Men zal mij misschien de opmerking maken, dat het lastig is om de raampjes te hanteeren, doordat men bij de behandeling van voren of achter staande, steeds de langste zijde der raampjes voor zich heeft. Ik wil erkennen, dat dit misschien een bezwaar is. Door het gemakkelijke verplaatsen van den korf vervalt dit echter geheel. Om een boogkorf te behandelen, moet deze toch ook van de plank genomen worden. Bij de behandeling zal het dan ook direct opvallen, dat mijn korf gemakkelijker te verplaatsen is dan een boogkorf en niet behoeft te worden omgetild.
Ook om te reizen, bestaan er bij dezen korf geen bezwaren. Van onderen met een bijenkleedje afgedekt, kan men, door zijn vierkanten vorm, een dubbele rij op een wagen plaatsen.
Er blijft nog over eene opmerking van een vakman n.l. het gevaar voor de wasmot, wat bij een strookorf erger zal zijn dan bij een houten woning. Was dit het geval dan waren alle volken, tot nu toe gehuisvest in alle denkbare modellen van stroowoningen, reeds lang door dit gespuis ten onder gegaan.
Wanneer dan ook werkelijk een volk van deze rooversbende veel heeft te lijden, dan is het bij mijne woning een heel kleine moeite om een dergelijk volk in een nieuwe woning om te hangen en de oude flink te reinigen. Doordien ieder ijmker deze woning zelf gemakkelijk kan maken, is het dan ook aan te bevelen, steeds reserveranden in voorraad te hebben.
De vlechtvorm, waarnaar deze woning wordt vervaardigd, vereischt ook van de zijde onzer ijmkers geen groote uitgaaf, daar deze door ieder zelf van twee planken kan worden vervaardigd, of men kan voor een klein bedrag deze bij een timmerman laten maken. Ook de stroomat kan door ieder ijmker met geringe hulpmiddelen worden vervaardigd.
En nu de naam. Evenals ieder product van menschelijke vinding, moest ook mijn nieuwe mobielwoning een naam hebben.
Mijn geboortestreek wordt door poëtische schrijvers, van wege zijne nijverheid, heel dikwijls bij een bijenkorf vergeleken. Ik vermeen dan ook mijne vinding geen beteren naam te kunnen geven, dan dien van mijne geboortestreek, en uit den wensch, dat deze zich, evenals de voortbrengselen van mijne nijvere omgeving, door geheel ons land tot nut van allen moge verspreiden.
Moge mijn korf overal een gunstig onthaal vinden en ons Hoofdbestuur er aanleiding in vinden, om het edele korfvlechten bij onze eenvoudige korfijmkers aan te moedigen, en zoodoende onze hedendaagsche bijenteelt een hoogere vlucht doen nemen.
De voldoening het mijne er toe te hebben bijgedragen om onze eenvoudige ijmkers in het genot te hebben gesteld om op een goedkoope manier in het bezit te geraken van eene goede mobielwoning, zal mijne grootste belooning zijn.
S. FRANKENHUIS.
Haaksbergen, Febr.1910.