Nosema-ziekte.
Naar aanleiding van het schrijven van „Bijenman", zie pag. 28 (febr.), wensch ik thans iets mede te deelen aangaande een bijenziekte, die zich in ons land waarschijnlijk ook reeds meermalen voordeed, evenals in het buitenland en waarvan de oorzaak nog niet voldoende opgehelderd is.
Het ontstaan dezer besmettelijke ziekte wordt toegeschreven aan ééncellige dierlijke wezens, die soms in grooten getale in den middendarm der bij worden aangetroffen. Deze wezens zijn ieder op zich zelf bijzonder klein, zoodat ze alleen door een sterke microscoop kunnen worden waargenomen. Vorm en levenswijze van de Nosema apis, zoo heeten deze wezens, zijn zeer eenvoudig. Hij is een parasiet, die alleen leven kan in het lichaam der bij en wel in een bepaald gedeelte, nl. den middeldarm.
Zijn de darmcellen door de Nosema verwoest, dan omgeeft hij zich met een schaal, waardoor hij na den dood van zijn slachtoffer voor uitdroging gespaard blijft. In dezen vorm heet hij spoor, heeft een lengte van ongeveer 1/200 m.M. en een breedte van 1/500 m.M.
Komt zoo'n spoor in den middeldarm van een gezonde bij dan springt de schaal, de parasiet komt te voorschijn en begint zijn werk van verwoesting. Hij boort zich in den wand van het darmkanaal, groeit en vermenigvuldigt zeer sterk ten koste van de bij. Na korten tijd is de darmwand geheel verwoest en schijnt bijna alleen uit de lichamen van Nosema te bestaan.
Daardoor is het mogelijk, de ziekte met het bloote oog te herkennen, want de darmwand, die doorschijnend en lichtrood van kleur is bij gezonde bijen, is thans bij de zieke bij ondoorschijnend en melkwit.
De met nosema-sporen volgepropte darmstukjes worden met de uitwerpselen verwijderd. Komt dit met bijenvoedsel in aanraking, dan staat de weg der besmetting open. Hiermede zijn proeven genomen, die de ziekte op gezonde volken overbrachten.
De aangetaste bijen zijn reddingloos verloren. Ze verlaten de woning, vallen vaak dicht bij het vlieggat tegen den grond en sterven na korter of langen tijd. Dit gaat meer plotseling of gestadig, al naarmate de grootte der infectie, terwijl oogenschijnlijk alles in orde is.
De schrijver, Dr. Zander, Erlangen, aan wien wij in hoofdzaak de beschrijving der ziekte ontleenen, is van oordeel, dat deze ziekte in verband staat met de algemeen bekende roer. Hij onderscheidt tweeërlei roer.
De eene heeft een meer onschuldig karakter en is niet besmettelijk. Deze wordt veroorzaakt door verontrusting, moerloosheid, ontbreken gelegenheid tot reinigingsvlucht, slecht wintervoer. In dit geval zijn de uitwerpselen grofkorrelig, ruiken zuur en vormen met water een geelachtige brei, die bijna geheel uit pollen bestaat. Wanneer de oorzaken dezer ziekte worden weggenomen, verdwijnt ze weer spoedig.
Vaker en heftiger in haar gevolgen is de besmettelijke roerziekte, waardoor soms geheele volken en standen te loor gaan. Het verloop dezer ziekte draagt alle kenteekenen van veroorzaakt te worden door Nosema apis. Bij deze ziekte is de afscheiding der uitwerpselen niet voortdurend, maar bij tusschenpoozen. Er zijn dan ook ijmkers, die deze droge roer meer vreezen dan de natte.
Niettegenstaande de aanwezigheid eener goede konigin, voldoende voedselvoorraad en reinigingsvlucht, sterven zulke volken in het voorjaar snel weg.
In de „Pfalzer Bienenzeitung" kan men hiervan in het Julinummer van het voorgaande jaar lezen:
In dit voorjaar heb ik zes volken verloren, een had de roer, de andere slechts sporen daarvan. Het is mij niet duidelijk, wat de oorzaak is, dat deze te gronde gingen. De volken kwamen goed door den winter, vlogen bij de eerste uitvluchten wonder schoon. Langzamerhand werd de uitvlucht zwakker, het eene volk kwam om na het andere. Het laatste begin Mei. Verhongerd kunnen ze niet zijn, want elk volk had voorraad genoeg, het laatste nog minstens 10 pond. Bij de omgekomen volken bleef mij een handvol bijen over en er was geen broed voorhanden.
Onderzoekt men zulke omgekomen bijen, dan vindt men, volgens Dr. Zander, steeds een melkwitte middeldarm met talrijke Nosema-sporen. De uitwerpselen, aanvankelijk waterachtig, drogen op tot steenharde korsten, ruiken naar snuiftabak en vertoonen na met water te zijn behandeld een troebele vloeistof met tallooze Nosema-sporen. Het is duidelijk, dat bij aangetaste bijen het darmkanaal slecht werkt en daar de parasieten het voedsel opnemen, ontstaat er bij de bijen een sterk hongergevoel, daardoor groote voedselopname en dorstnood, welke zoo karakteristiek is bij roer.
Kunnen de bijen haar uitwerpselen nu niet buiten kwijt worden, door ongunstig weer, dan geven ze deze in de woning af, raten en wanden worden ermede bezoedeld en zeker is het, dat sommige honigsoorten of onrijpe honig dit alles nog in de hand zullen kunnen werken. Is de ziekte eenmaal zoo ver gekomen, dan krijgt ge al spoedig voor een volk al meer en meer een algemeen karakter, daar de Nosema-sporen met het voedsel bijna in alle bijen doordringen. Rooverij ontstaat nu allicht en de ziekte komt ook terecht in andere tot nog toe gezonde volken. De sporen van Nosema apis komen ten slotte ook terecht in het lichaam der koningin en het lot van het volk is daarmede dan beslist. Het is duidelijk, dat de gevolgen steeds niet even noodlottig zullen zijn, want indien bij mooi weder de broedaanzet voldoende is, zoo zullen de gestorven oude bijen weer aangevuld worden met jonge bijen en indien de uitwerpselen niet in de woning worden afgegeven, is er minder gevaar voor besmetting, in dit geval komt men er af met het later verschijnen der zwermen.
De Nosema-ziekte treedt niet alleen op in het vroege voorjaar. Daar de meeste ijmkers de sporen der roerziekte niet verwijderen, is het zeer goed mogelijk, dat deze later weer optreedt. Daarom is het volstrekt niet te verwonderen, dat vier weken na de roerperiode, midden Mei, op vele standen opnieuw een sterven in massa wordt waargenomen. Men noemt het dan maar Meiziekte en deze is niet steeds maar terug te voeren tot het overmatig gebruik van stuifmeel. Onderzoekingen hebben aangetoond, dat in zulke omgekomen bijen de Nosema apis in zeer grooten getale voorkwamen.
Weer vier weken later, dus in midden Juni, ziet men soms weer hetzelfde verschijnsel.
Om te onderzoeken of een volk door infectie door deze ziekte aangetast kan worden, nam men van de uitwerpselen en doode bijen van een aangetast volk en mengde deze door gezonden voerhonig, die daarna werd toegediend aan een gezond volk, dat vervolgens al spoedig alle verschijnselen vertoonde van een door Nosema-ziekte aangetast volk. De andere volken bleven ongedeerd en het zieke volk werd afgezwaveld, zoodra erop geroofd werd.
Ook werd een volkje geïnfecteerd, dat opgesloten werd gehouden. Spoedig was de bodem met stervende en doode bijen bedekt, waarvan het achterlijf sterk gezwollen was. Den vijfden dag vertoonden zich de vuilgele vlekken der dunne uitwerpselen. Toen de ziekte zich dus duidelijk vertoonde, werd het vlieggat weer geopend. De volkssterkte ging toen al spoedig tot op de helft terug, daar de uitvliegende bijen op den bodem vielen en omkwamen. In de uitwerpselen en in het darmkanaal zaten groote massa's Nosema-sporen.
Het is duidelijk, dat deze ziekte, is ze eenmaal uitgebroken, niet meer te keeren is, want de Nosema-spoor kan niet worden getroffen.
Men moet alzoo door voorbehoedmiddelen deze ziekte trachten te bestrijden. En dit voorbehoedmiddel bestaat in zindelijkheid. De woningen moeten zuiver gehouden worden, evenals de omgeving. Oude raten moeten opgesmolten worden. Zwak aangetaste volken zou men kunnen overbrengen in eene nieuwe woning met kunstraat, en door warmhouding en voedering flink aanzetten om ze er zoo weer bovenop te brengen.
Het laatste woord is over deze zaak nog niet gesproken, intusschen zij men tot voorzichtigheid gemaand en zij de bekende Hollandsche zindelijkheid nogmaals aangeprezen.
H. Stienstra.