Het leven der bijen.
( deel 4 en slot van pag. 157, okt. 1909)
De vraag is nu nog, wat wordt er van het opgehaalde water, stuifmeel, propolis en nectar?
Het water en het stuifmeel, dient, zooals we reeds meldden, voor de voeding der larven; ook zagen we reeds, waartoe het propolis of voorwas dient.
De nectar of het bloemensap, wordt in de raten gebracht en niet dadelijk opgeborgen in de cellen, waar het voor wintervoedsel moet dienst doen, en wel omdat er vooraf een groot deel water uit verdampen moet. Daarom verdeelen de bijen den nektar over een groot aantal cellen want dan gaat de verdamping veel gemakkelijker. Als de hoeveelheid water tot op ¼ is verdampt, is de honig rijp en wordt hij opgeborgen in de cellen, die de bijen verzegelen; maar vóór ze den honig verzegelen storten ze eerst met haar angel in elke cel een druppel gif, waardoor de honig niet wordt omgezet. Men ziet, de bijen kenden het middel om bederf te voorkomen eer Pasteur dit middel heeft uitgevonden.
In de bijenwoning bevindt zich nog het broednest, dit is de verzameling van cellen, waar de aanstaande bijen in alle stadiën van ontwikkeling voorkomen; dus alle vormen van ei tot volkomen insect. Het broednest heeft steeds in doorsnede den vorm van een krans of cirkel. Het ei der werkbijen heeft 21 dagen noodig om tot volle ontwikkeling te komen en in het broednest wordt steeds een temperatuur van ongeveer 20 graden onderhouden. (vermoedelijk een typefout en is 30 graden bedoeld, red. AdW)
Het ei verandert eerst in larve, de larve spint zich in (vormt dus een kokon), wordt daarna tot nimf (pop) en eindelijk tot volkomen insect. Om het broednest te vormen, moet de koningin de eitjes op een bepaalde wijze en orde leggen. Gedurende den leg, wordt de koningin gevolgd door een soort van staf (een gevolg van bijen); en deze geeft haar den weg aan. De koningin wordt als 't ware gedwongen eitjes te leggen. Men gunt haar geen rust en dient haar zoo nu en dan wat voedsel toe. Vooral in den tijd van overvloed legt ze soms per dag tot 4000 eitjes.
Deze eitjes worden maar niet ordeloos hier of daar neergelegd. Integendeel, de koningin legt haar eitjes achtereenvolgens in cirkels op beide zijden der raten, zoodat het geheele broednest den vorm verkrijgt van een eenigszins platgedrukten bol, deze vorm is zeer gunstig om warmte uit te sparen, want een bol heeft in verhouding tot andere lichamen den grootsten inhoud bij een gelijk oppervlak.
Bij overvloedige dracht neemt de eierlage ook toe. Deze toename komt echter wel wat laat, daar het nog een langen tijd duurt eer de eitjes tot vliegbijen zijn geworden. Dit is immers eerst 36 à 37 dagen later en het is niet zeker, dat er dan wat te halen is.
Van dit feit maakt de ijmker vaak gebruik om de bijen tot broedaanzet te dwingen.
Gesteld, men rekent dat over ruim veertig dagen de witte klaver in bloei zal staan. Men plaatst nu elken avond of om den anderen dag suikerstroop of beter honig onder de korven. De bijen halen het op en ofschoon het buiten alles behalve mooi weer is en geschikt om voorraad op te doen, komen de bijen in denzelfden toestand, als wanneer er dracht is. De koningin legt volop eitjes. Deze voedering noemt men speculatief, omdat ze, evenals alles wat op speculatie begrepen is, lang niet zeker is van te zullen slagen. De verwachte dracht kan immers gemakkelijk uitblijven.
Uit al het voorafgaande blijkt, dat de bij op zich zelf geen individualiteit bezit, terwijl bij het volk als geheel een merkwaardige individualiteit bestaat. Dit wil zeggen de bij als insect bezit niet het vermogen tot handelen, maar het geheele volk gedraagt zich als één wezen, begaafd met het vermogen tot redelijk handelen. Al de bijen eener woning, al de arbeidsters verrichten denzelfden arbeid, omdat zij gehoorzamen aan eene gemeenschappelijke aandrift.
De volken zijn evenwel niet gelijk. Hiervoor zijn talrijke bewijzen te vinden. Bijv. in een tijd van slechte dracht, komt het voor dat de bijen bij mooi weder in de woning blijven. Vóór een enkele woning ziet men echter een flinke vlucht. Hoe komt dit? Deze bijen hebben op verren afstand een veld met een honigend gewas ontdekt, zij vliegen daarop terwijl de andere thuis blijven. Dit volk staat dus in het opspeuren van dracht hooger dan de andere. Het is er mede, als bij de menschen. Het zijn allen menschen, maar de een is meer begaafd dan den ander.
Een bijenvolk is dus te vergelijken met een soort van warmbloedig dier, waarvan zich de elementen of samenstellende deelen telkens hernieuwen, terwijl de algemeene vorm en de geaardheid dezelfde blijft. De bij op zich zelf brengt niets voort, de voortbrengende kracht zetelt in de gemeenschap, en deze hernieuwt zich door wat men noemt het zwermen.
De algemeene oorzaak van het zwermen is het meest, dat de woning te klein is voor een te talrijk geworden bevolking. Vooral tegen het einde der lente, bij warm weder, ziet men voor de vlieggaten de overmaat van bevolking, die als het ware buiten de deur wordt gezet. De moeder is bij voorbaat hernieuwd in 't vooruitzicht van het zwermen en de zwerm gaat er met de oude moeder vandoor.
Om het zwermen voor te bereiden zijn er een vijf à zestal moedercellen gebouwd; er zijn dus jonge moeders genoeg gereed om de vertrekkende oude te vervangen. Vóór het vertrek van dezen zwerm zijn er arbeidsters uitgevlogen, in het bijzonder belast om de omstreken te onderzoeken, waar de zwerm zich kan vestigen. Zij onderzoeken een schoorsteen, een ruimte tusschen het venster en het raam van een verlaten huis, den hollen stam van een boom, oude korven op een zolder, ja, wat niet al om den zwerm te herbergen. Vaak vinden de bijen geen geschikt toevluchtsoord, maar is de zwerm desondanks genoodzaakt te vertrekken; hij wordt buiten de deur gezet. De bijen, die den zwerm moeten vormen, volgezogen met honig, verlaten in massa de woning.
Indien ze bij toeval reeds een nieuwe woning ontdekt hebben begeven ze zich daarheen dadelijk op weg en vangen aan raten te bouwen. Het volk organiseert zich. Is dit niet het geval, dan verzamelen ze zich rondom den tak van een boom, zoo verplaatsen ze zich van tak tot tak, soms over een grooten afstand, totdat ze een geschikte woning hebben gevonden. Indien ze niet kunnen slagen, zoo vermindert de zwerm voortdurend in getalsterkte, om ten slotte geheel te verdwijnen. Maar de ijmker laat geen zwerm verloren gaan, hij zoekt hem op en stort hem in een geschikte ledige woning. Daartoe geeft hij een ruk aan den tak en de bijen vallen in een vangkorf. Na eenige voorbereidingen wordt de zwerm voor het vlieggat der nieuwe woning geworpen. Na eenige aarzeling herstellen de bijen zich, zij plaatsen zich naast elkander, vormen rijen en al de bijen van den zwerm trekken regelmatig de ledige woning binnen, daaronder ook de koningin, te midden van haar staf.
Zoo het zwermen in de woning geen voldoende ontvolking heeft teweeg gebracht, zal er een tweede zwerm kunnen volgen. Wat hierover is beslist, maakt het volk al spoedig kenbaar. Indien nl. niet verder zal worden gezwermd, worden de jonge moeders, nog in de cellen aanwezig, gedood. In het andere geval blijven ze gespaard en bevinden ze zich in de cellen, tegelijk met de jonge uitgeloopen koningin, die de oude vertrokkene heeft opgevolgd.
Om te weten af een volk nogmaals zal zwermen, behoeft men zich maar te overtuigen, of er meerdere koninginnen aanwezig zijn. Het is voldoende daartoe des avonds aan de woningen te luisteren, wat er in omgaat. De jonge uitgeloopen moeder laat een eigenaardigen, gerekten toon hooren die klinkt als tuut—tuut—tuut. De nog in de cellen aanwezige koninginnen antwoorden met kwa—kwa—kwa. Als men dit hoort, kan men zeker een tweeden zwerm verwachten.
Men zou misschien de opmerking kunnen maken, een volk is geen maatschappij, maar een familie, omdat alle bijen, die samen die maatschappij vormen, zusters zijn. Het is gemakkelijk deze tegenwerping te beantwoorden. In den tijd van volle dracht, als de terugkeerende bijen haar woning niet terug kunnen vinden en een andere binnendringen, worden ze gereedelijk aangenomen en maken deel der bevolking uit.
Zoo kan men ook eene koningin vervangen door eene Italiaansche en deze weer door een Cyprische enz; het volk gedraagt er zich gelijk om, ook als straks de bevolking gemengd is. Een bijenvolk geeft ons daarom een volmaakt voorbeeld van de grondwet der gelijkmaking bij het staatsocialisme. Geen liefde noch toewijding medelijden noch liefdadigheid heerschen er. Alles wordt opgeofferd aan de maatschappij en de instandhouding daarvan door een gestadig werken. Geen regeering, geen hoofden, geen tucht noch overtreding. Dat is het ideaal van het ware collectivisme (leven in gemeenschap).
De auto's, vliegmachines en bestuurbare luchtballons zullen ons misschien eens de algemeene wereldmaatschappij brengen. Maar als dit tengevolge moet hebben dat, evenals bij de bijen, al de individualiteit (dat is alle persoonlijkheid) verloren gaat en daarmede alle vreugd en deugd, dan zal onder de menschheid misschien ook wel eens den lust ontwaken om naar eene andere planeet te zwermen.
H. Stienstra.