Honingverkoop.
Bij den honigverkoop springen voor dit jaar weer twee zaken naar voren. Ten eerste de lage prijzen, die voor den honig worden behaald, ten tweede de moeilijkheid om den honig kwijt te worden. Dit zal er niet beter op worden, zoodra Duitschland zijn grenzen voorgoed voor den invoer van honig uit ons land sluit. De lage prijs van den honig vloeit voornamelijk voort uit het geringe gebruik van natuurhonig.
De bakkers kunnen zich, in dezen tijd van surrogaten, zeer goed behelpen met kunsthonig, die heelemaal geen honig is. Anderszins worden buitenlandsche honigen gebruikt. Het gevolg hiervan is, dat de bakkers niet meer dan 19 cent willen betalen voor een pond pershonig. Daar bij goede bewerking 100 pond ruwe honig 60 pond pershonig en 6 pond was opleveren, zal de ijmker dus per pond ruwen honig kunnen ontvangen 60 X 19 cent = ƒ 11.40 en 6 pond was à 80 cent = ƒ 4.80, is samen ƒ 16.20. Rekent men nu voor de verwerking van 100 pond ruwe honig tot pershonig en was 50 cent, dan zal bij deze wijze van verwerking, die nog zeer veel voorkomt, in het gunstigste geval niet meer dan ruim 15 cent per pond ruwen honig kunnen behaald worden. Wanneer door opkoopers bij deze wijze van verwerking meer wordt betaald, moet men zich afvragen, hoe dat mogelijk is.
De Regeering zou nu met de aanstaande tariefswijzigingen kunsthonig en buitenlandschen honig hoog kunnen belasten, maar daarmede zal de concurrentie met deze artikelen niet zijn weggenomen, althans niet met kunsthonig.
Kunsthonig toch is een product, dat den fabrikant weinig kost, het is in hoofdzaak aardappelstroop met wat honig er door en behoort, omdat het geen honig is, thans reeds hoog belast te zijn.
Hoe het verder mogelijk is, dat buitenlandsche honig concurreerend naar hier gezonden kan worden, zooals dit zelfs uit Amerika plaats heeft, zou doen vermoeden, dat de ijmkers daar met zeer geringe verdiensten tevreden zijn. Hoe dit zij ben ik niet in staat uit te maken, omdat mij de gegevens ontbreken en geef daarover gaarne, die het wel weten, het woord.
Wat moeten de ijmkers nu doen om te maken, dat hun product beter betaald wordt?
Het eenigste middel is, dat de honig niet aan de bakkers wordt verkocht, maar dat deze gebruikt wordt door particulieren.
Reeds wordt dit beproefd door de verschillende kleine zeemerijen, die in ons land zijn opgericht, maar deze beschikken over te geringe kracht om hun honig voldoende aan den man te brengen en zoo komen ze toch voor een groot deel weer bij den bakker terecht.
Ik geef de afdeelingen daarom in overweging het volgende op hunne vergaderingen te bespreken en hetzij in het Maandschrift of elders op dit voorstel te reageeren.
De reeds bestaande zeemerijen met nog een aantal nieuw op te richten vereenigen zich om gezamenlijk den gezeemden honig te verkoopen.
Gesteld, er zijn 25 zeemerijen, deze brengen elk ƒ 100 bijeen, waardoor een bedrijfskapitaal van ƒ 2500 wordt verkregen. In een onzer groote steden, b.v. in Amsterdam, wordt een geschikt huis gehuurd voor den verkoop van honig. Het bedrijfskapitaal dient voor de inrichting van den winkel, waaraan tevens een localiteit is verbonden voor het bewaren van den uit de zeemerijen gezonden honig. Hierin zijn tevens geschikte inrichtingen om den honig in vaten verzonden, gemakkelijk in flacons over te brengen. Natuurlijk moet een persoon, geheel op de hoogte van het honigvak, en tevens goed koopman, op een behoorlijk salaris worden aangesteld voor den verkoop.
Het verkoopen geschiedt niet alleen, doordat de waar aan den winkel wordt verkocht, maar elken dag gaat een persoon met een wagen met honigflacons langs de huizen om de bestelde waar te bezorgen en te trachten nieuwe klanten te winnen. Door flinke reclame wordt zooveel mogelijk bekendheid aan deze zaak gegeven en de groote kracht moet zijn, dat deze honig staat onder toezicht van de vereeniging en op haar verantwoording een zuiver natuurproduct wordt geleverd. Elders kunnen later filialen worden opgericht.
Gesteld nu deze 25 zeemerijen leveren elk op zeker jaar 10000 pond ruwen honig. Deze honig wordt in drie soorten verwerkt: honig in de raat, slingerhonig en pershonig.
De verschillende zeemerijen liggen in een gebied van heidedracht, maar de nieuwe heidehonigslinger zal een deel dier honig kunnen uitslingeren. We zullen nu aannemen, dat 100 pond ruwe honig het volgende opbrengt:
10 pond honig in de raat, 24 pond slingerhonig en 30 pond pershonig benevens 5 pond was.
De verkoopsprijzen stellen we op 50 cent voor honig in de raat, 50 cent voor slingerhonig en 40 cent voor pershonig en 80 cent voor de was. 100 pond brengt dan op 10 X 50 cent = ƒ 5.-- ; 24 X 50 cent = ƒ 12.--; 30 X 40 cent = ƒ 12.-- en 5 X 80 cent = ƒ 4.--. Samen ƒ 33.--.
De geheele opbrengst van 25 zeemerijen zou dan voor dat jaar zijn 2500 X f33.-- = ƒ 82.500.
Hiervan gaan nu af de rente van het bedrijfskapitaal met verlies aan materiaal, gerekend à 8% , is ƒ 200.—, aan arbeidsloon op de zeemerijen à ½ cent per ruwe hoeveelheid honig is ƒ 500.-, eveneens aan verbruik van werktuigen ƒ 200.—, vaten voor de verzending en franceer-kosten ƒ 1000.—, want de vaten komen terug.
De verpakking bij den verkoop betaalt het publiek, aan personen met den verkoop belast ƒ 2500, aan reclame ƒ 1000, aan huishuur ƒ 1000, is samen ongeveer ƒ 7500. Er blijft alzoo over ƒ 75.000. Voor de ruwe honig zou dan dus aan de ijmkers per pond kunnen worden uitgekeerd ƒ 75.000 gedeeld door 250.000 is 30 cent.
Aangenomen nu, dat alles op zijn voordeeligst is voorgesteld, dan kan er nog heel wat af, voordat de rekening slecht uitkomt. Al werd door de ijmkers voorloopig slechts 20 cent per pond voor den ruwen honig behaald, dan zou toch nog heel wat bij den tegenwoordigen toestand gewonnen worden.
Moeilijkheden die zich hierbij voordoen zijn o.a. de verschillende opbrengsten in de opeenvolgende jaren. De ondervinding aan onze zeemerij, die thans over een achttal jaren loopt, is dat ieder jaar op een matige opbrengst kan worden gerekend, alleen het vorige jaar was er zoo goed als niets en dit jaar is er een bijzondere overvloed. Het is evenwel de vraag of de honig van overvloedige jaren niet kan overblijven tot een volgend jaar, en nu kan het wel zijn, dat 't volgende jaar ook overvloedig is, maar men moet ook niet al te angstvallig wezen en bij een grooten oogst kan 't ook lijden, dat de prijs wat minder is.
Een andere schaduwzijde is, dat de onkosten ongeveer gelijk blijven bij een geringere opbrengst. Gesteld de opbrengst was de helft van de hier voorgestelde en bedroeg dus in geld uitgedrukt de helft van ƒ 82.500 = ƒ 41.250.
Hiervan gaat nu af ƒ 7500, blijft alzoo ƒ 33.750, dit gedeeld door 125000 pond, geeft 27 cent per pond ruwen honig.
De vraag is nu of deze hoeveelheid aan particulieren te slijten is.
In het eerste geval moet dus geplaatst worden ruim 60.000 pond honig aan particulieren, dat is gerekend over 300 dagen 200 pond per dag. Dat zal in den aanvang wel een heele toer geven, maar daarvoor moeten er dan ook filialen komen.
Natuurlijk, dat slingerhonig in den zomer gewonnen en geleverd door de betrokken zeemerijen, die onder toezicht staan van de afdeeling en daarna onder dat der vereeniging, evenzeer zouden geleverd kunnen worden.
Ziehier nu een plan, dat een weg aangeeft om betere prijzen te kunnen behalen.
Een bezwaar ervan is nog, dat men zijn geld voor den honig eerst een heelen tijd na het gewin zou ontvangen, maar indien men zich niet het een of ander ongerief wil getroosten, moet men ook niet klagen over de geringe opbrengsten en evenmin, wanneer die nog jaarlijks lager zullen worden.
Zonder moeite en inspanning is niets te behalen: „het vliegen van gebraden ganzen in den mond", wordt in figuurlijken zin maar zelden gezien.
H. Stienstra.