Het nieuwe toestel „Kolb" om heidehoning te slingeren.

Sedert geruimen tijd heeft men beproefd den taaien heidehoning te slingeren, doch tot voor eenigen tijd lukte het nog zeer onvoldoende. Wat of men beproefde, het ging niet, of zeer slecht.

De heidehoning heeft eene zeer groote taaiheid, te groot om door de tangentiale (middelpuntvliedende) kracht van den honingslinger met de hand eruit gedraaid te worden, en tevens de raten heel te houden.
Velen hebben op middelen gezonnen, en veel is beproefd maar noch het eene, noch het andere mocht baten. De eerste uitkomst bracht de staaldraadborstel, doch deze vernielt de middenwanden der cellen grootendeels, en daarbij nog aardig wat zijwanden der cellen, zoodat eene raat bewerkt met den staaldraadborstel nu niet zoo'n alleraangenaamsten indruk achterlaat.

Ik ontmoette nog geen, die het gebruik van een staaldraadborstel bij uitstek beviel en het gebruik ervan is ook sporadisch. Toch zit aan het gebruik en de werking van den staaldraadborstel meer vast dan men oppervlakkig vermoedt.
Reeds geruimen tijd was door Rudolf Dathe (zoon van den bekenden George Dathe 1813-1880) gevonden, dat heidehonig zich liet slingeren, nadat de gevulde cellen, elk afzonderlijk met een stokje of pinnetje, aangepeuterd, of losgepeuterd werden.
Maar deze arbeid was natuurlijk niet uitvoerbaar, wegens den verregaanden tijdroof.

Toch is deze vinding gewis de eerste stap geweest tot den staaldraadborstel en de honinglosmachine. Dat heidehoning slingeren zeer gewenscht werd, blijkt wel uit het feit, dat er zijn, die dezen honing slingeren voor hij verzegeld is. Maar ook dit is ondoenlijk door om de 4 à 5 dagen heiwaarts te gaan en ze weer te ontnemen, wat ze verzameld hebben.

Op de tentoonstelling te Weisenfels, Aug. 1909, heeft de heer Kolb reeds zijne machine tentoongesteld en is ook aldaar bekroond, en met slechts enkele regels werd het toestel vermeld in de verslagen van die tentoonstelling, als te zijn eene nieuwe vinding.
Toch trok deze kleine vermelding mijne aandacht, en tot mijne groote verwondering bleef het toestel onbesproken, tenminste voor zoover ik heb kunnen nagaan. De redenen daarvan kon ik mij maar niet verklaren, of het moest onbruikbaar zijn, of er werd zeer weinig heidehoning geoogst in die omgeving, anders zou het wel meer besproken zijn geworden.

In September l.l. was er eene tentoonstelling te Krefeld. Er werd mij door de vriendelijke bemoeiingen van den voorzitter van de afd. Blerik, den heer L. Moubis, enkele programma's van genoemde tentoonstelling gezonden. Bij het nalezen van een der programma's vond ik tot mijn genoegen, „Die Schleuderfähigkeit des Heidehonigs mit praktischer Vorführung: Schulzen, Viersen" en een eindje verder bij de rubriek bijenwoningen en gereedschappen, „Max Kolb, Fabrikant Honiglösmachine „Kolb" zum Lösen des Heidehonigs, Jeder Heidehonig lasst sich schleudern!"

Den Voorzitter onzer Vereeniging werd verlof gevraagd tot het bezoeken van de tentoonstelling te Krefeld, wat welwillend werd toegestaan.
Te Krefeld, had ik, na de tentoonstelling bezichtigd en na den heer Moubis ontmoet te hebben, de eer en het genoegen, eene practische voordracht te hooren van den reizenden Leeraar A. Schulzen uit Viersen, en wel over de honiglosmachine.

Na eene korte inleiding, deelde de heer Schulzen mede, dat het heidehonig slingeren door hem, voor zooverre als er heidehonig was in 1909, met succes uitgevoerd was. Het slingeren met den staaldraadborstel gaf gewoonlijk een bratspot, waarna hij mededeelde, hoe of de machine werkte en hoe er mede gewerkt moest worden. Daarna ontzegelde hij een paar halve raampjes eener Berlepsch-kast, liet ze onder de honinglosmachine gaan en reikte ze over aan het publiek om te slingeren. De uitslag was zeer goed.

Bij mijn thuiskomst deelde ik den Voorzitter onzer Vereeniging mijne bevindingen mede, en vroeg om voor de Vereeniging zoo'n toestel te mogen aanschaffen, wat werd toegestaan.
Begin October kwam de honinglosmachine en aanstonds werd een aanvang gemaakt met ze te gebruiken. Eerst de raat gewoon ontzegelen met mes of vork en daarna onder de honinglosmachine. Na een aantal ramen in gereedheid te hebben gebracht, begonnen we, de heer C.J. Kole en ondergeteekende, met het werk.

Een aanvang werd gemaakt met de raampjes uit eene Matthes-kast, oude raten, die goed aan de zijden waren vastgebouwd. Daarna geslingerd en het was alsof er boekweithoning ingezeten had, zoo mooi droog.
Bij deze bewerking werd de tijd opgenomen, hoe lang of het duurde voor dat eene raat de honinglosmachine kon verlaten. Bij het bewerken van Matthes-raampjes legden wij er twee tegelijk onder en het duurde gewoonlijk 4 à 4½ minuut. Het gewichtsverlies bedroeg 70% . Dit wil nog niet zeggen, dat 70% van den honing er uit kwam, want dit hangt af van den ouderdom en de dikte van de raat, waarin de honing zit.

Daarna werden 20 ramen van de Simplex en 20 boogjes van den boogkorf bewerkt. Van de Simplex-ramen gingen twee raten uit het raam door het bewerken met de machine, doch waren met inbinden gereed en vermoedelijk hadden deze ramen bij het vervoer wel een knikje gehad. De boogkorframen hadden geen stukken, wat wel kwam door het meer bekend worden met de machine, want de fouten lagen bij de bewerkers.

Vervolgens de groote ramen uit de Thüringer en Beil’s-reiskast. Wie Thüringer heeft, weet dat dikwijls deze ramen onder niet aan de lat vastgebouwd zitten. En die ramen, welke niet van een ijzerdraad in het midden voorzien waren, konden de drukking slecht verdragen en scheurden langs de zijden af. Beter, zelfs goed ging het met de halve raampjes uit Beil’s-reiskast.

Raampjes uit den honingzolder te bewerken met de machine, lukte mij niet, tenzij er veel tijd voor gebruikt werd. Door langzaam te draaien, ging het, doch dit is niet het grootste bezwaar.

Het heidehoning slingeren was ons goed gelukt, en met een dikke straal droop hij uit de slingeropening, door een paar zeven, want die zijn noodig om de wasdeeltjes tegen te houden in den pot. Deze honing is beter van smaak dan de geperste. Verder is er nog een verschil met den pershoning, en wel dat de geslingerde heidehoning niet zooveel, bijna geene luchtbelletjes bevat en een uitmuntend aroma heeft.

Na de ledige ramen weder ingehangen te hebben, gingen onze koningrijken met gedenatureerde suiker den winter in. Het is dus mogelijk de broedruimten van den lossen bouw in den herfst te ontlasten van den heidehoning en daarvoor suiker in de plaats te geven.

Vooral voor dit jaar zou het voor vele volken een aanwinst zijn geweest, als hun broedruim wat meer plaats had gehad. Zoo kwam 2 October de heer Kurt Joch te mijnent en sprak over het euvel, waaraan meer volken zullen geleden hebben: te weinig broednest. Alle ramen bijna vol met heidehoning en nu moest raad geschaft worden, want ledige, uitgebouwde raten had Joch niet.

Ik deelde hem mijne bevindingen van de Krefeldsche tentoonstelling mede en hij besloot nog dienzelfden avond af te reizen naar den fabrikant, om zich ook een honinglosmachine aan te schaffen, wat, naar ik vernam, ook geschied is.
Reeds zijn meerdere machines in ons land en van alle ontvang ik zeer gunstige berichten omtrent hare werking. Wellicht zullen er zijn, die eens willen weten hoe of zij er uitziet. De figuur geeft u het denkbeeld van de machine in den stand, dat het blad opgeheven is, zoodat de as en een paar hefboomen zichtbaar zijn.

Een korte, oppervlakkige beschrijving van de machine wil ik even trachten te geven. Zij heeft eene hoogte van 10 c.M., breedte 35 c.M. en eene lengte van 40 c.M.
Zij bestaat uit een houten raam, waar in het midden eene houten excentrieke (uitmiddelpuntige) as ligt, die bewogen wordt door een kruk.

Aan de binnenzijde van het raam zitten twee paar hefboomen, die op de as rusten. Door nu de kruk met de as te bewegen, wordt het blad opgelicht, door verder te draaien gaat het blad weder omhoog.
Aan het raam is bevestigd eene galg. De verbindingsstukken of dwarslatten zijn in het midden van eene opening voorzien. Op de bovenste lat, waarop Honiglösmachine Kolb staat, rust eene doorboorde zinken schijf, waarin vijf rijen ijzeren pinnen hangen, die eene lengte hebben van 35.5 c.M. en een gewicht van 25 gram. Het totaal aantal pinnen bedraagt 213 stuks.

Halverwege de galg zitten twee vaste latten, waartusschen eene doorboorde zinken schijf hangt, om de pinnen op hare plaats te houden. Onder zit eene schuif, die door twee veeren op hare plaats gehouden worden en dient om het honigraam op zijn plaats te houden. Nu behoort bij de machine een blikken bak met gaas, waarop de honingramen gelegd worden, om de honing los te maken.

Boven op de galg staat een blikken beugel, om het uitvallen der pennen te beletten bij eventueele schoonmaak. De pinnen zijn beweegbaar, d.w.z. kunnen opwaarts schuiven. Door nu eene ontzegelde honingraat op den bak met gaas te leggen en daarna het geheel onder de pennen te schuiven, en met den kruk te draaien, drukt het blad met den bak met gaas en de raat tegen de pennen aan. De pennen, die in een honingcel komen, zakken tot den middenwand weg, zij die op den rand van eene cel belanden, wijken opwaarts. Evenzoo, die op eene stuifmeelcel komen of op een anderen weerstand.

Door nu bedaard de raat vooruit of achteruit te schuiven, wordt elke cel 3 à 4 maal geraakt en de honing ligt geheel los in de raat. Daarna wordt de raat aan de andere zijde bewerkt, en vervolgens geslingerd.

De honinglosmachine staat m.i. nog in hare kinderschoenen. Zij is de eerste stap in de goede richting en de resultaten, met haar bereikt, zijn reeds goed te noemen. Toch zal, lijkt mij toe, deze machine spoedig verbeteringen ondergaan. Zoo moeten we zelf de raat nog verschuiven. Dit kan gemaakt worden, dat zij tevens door den kruk voortbewogen wordt. Alle bewegende deelen loopen hout op hout, wat aan sterke slijtage onderhevig zal zijn.
Verder maakt het vallen der pennen nog al lawaai, wat door caoutchouc kussentjes wel verholpen kon worden, doch laat ik eindigen met critiek en den heer Max Kolb geluk wenschen met zijne uitvinding.