
Bijenstand van het landgoed "Johanna hoeve" te Oosterbeek met een tachtigtal kasten.
Cliché door bemiddeling van den heer H. Fleumer te Oldenzaal.
Deze kasten behooren tot het systeem Tukker, overeenkomende met de Amerikaansche Heddon kasten. De broedruimte bestaat uit twee afzonderlijke bakken in tegenstelling met de meeste andere systemen. De kast is dubbelwandig met losse binnen- en buitenkast. Buitenwerks 50 c.M. lang, 40 breed en 46 hoog. Inwendig zijn de bakken 40 c.M. lang, 30 breed en 14 hoog. In iederen bak bevinden zich 8 ramen, inwendig 37½ c.M. lang en 12 c.M. hoog. Koude bouw.
H. Stienstra
Werkzaamheden in Juli-Augustus.
Dit jaar is weder kenmerkend door koude en vochtigheid in den zomer, want, zoo mooi de maand Mei is geweest, zoo slecht is Juni voor onze bijen. Door het gure en natte weder is er weinig dracht en bijgevolg eene schaarsche broedinleg. Hierdoor komen de volken minder sterk aan de boekweit, en krijgen ook tijdens deze dracht, niet zooveel jonge krachten er bij, die de afgeleefde kunnen vervangen. Om nu een geregelde broedinleg te bevorderen, kan de ijmker bij slecht weer voeren, doch dit wordt meestal niet gedaan. Niettegenstaande dit eenige kosten en moeite veroorzaakt, beloont het in de meeste gevallen den ijmker met een grooter aantal volken en een betere opbrengst, want bij geregelden broedinleg kunnen wat meer zwermen opgezet worden, en zijn er meer krachten aanwezig om te verzamelen.
Wanneer men in den zomer moet voeren, doet men 't beste, om gelijke deelen witte suiker en water te nemen of zuiveren honig met bijvoeging van een weinig water. 't Spreekt van zelf, dat men niet meer moet geven dan de bijen zoo ongeveer behoeven.
Vaste bouw.
Vele volken zullen nu wel bij de boekweit zijn en de ijmker gaat zeker dikwijls zien of ze zwaarder worden, maar hij heeft ook op meer te letten; vooral is 't de moederloosheid, die hem hier soms parten speelt. 't Gaat niet zoo gemakkelijk om ten allen tijde te constateeren of een volk een goede koningin heeft; en zeker is men er van als er goed broed voorhanden is, maar wanneer het zwermen is afgeloopen, is het dikwijls moeielijk te bepalen, vooral bij langen bouw of er broed voorhanden is.
Moerloosheid blijkt uit de volgende kenmerken, b.v. als men een korf omkeert en de bijen komen er wild en in woeste vaart uitvliegen en vallen den ijmker aan; na flink berooken geven ze een huilend geluid; of komen de bijen met kleine stuifmeelballetjes onrustig aanvliegen en maken degenen die afvliegen onrustige bewegingen, dan kan men bijna zeker zijn, dat zulk een volk moerloos is. Bij volken, die eenigen tijd moerloos geweest zijn, kan men 't constateeren aan 't gewicht, want moerlooze volken verzamelen niet wat een volk doet met goede koningin.
Nog kan men het zien, als men een stukje raat met eieren en larven geeft, zijn ze moerloos, dan bouwen de bijen daarop koninginnecellen. Is een volk moerloos, dan ook is het waardeloos, indien men geen goede koningin geeft. Dit kan men op verschillende wijzen doen. Een zekere methode is de volgende: men doet de koningin, die men geven wil, in een huisje en plaatst dit zooveel mogelijk in de bijentros. Na 36 à 48 uur ziet men of de bijen vriendelijk jegens de koningin gestemd zijn en is dit het geval, dan kan men de stop door een wasplaatje vervangen, opdat de bijen zelve haar bevrijden. Zijn ze niet gunstig tegenover de koningin gestemd, dan moet men zoolang wachten met de stop door een wasplaatje te vervangen, tot dit wel het geval is. Zijn de bijen niet gunstig gezind jegens een koningin, zoo laten ze een sissend geluid hooren en beproeven zij haar in te sluiten en om te brengen; anders voeren en streelen zij haar.
Losse bouw.
Hier is 't zeer gemakkelijk om te weten, of het volk moerloos is, men neemt een raam midden uit 't broednest en zoo daar geene eieren of larven in zijn, dan is 't zoo goed als zeker, dat er geen koningin voorhanden is. Nu heeft de ijmker te zorgen, dat er weer broed komt en hij geeft een paar ramen met op het uitloopen staand broed en eene koningin. Heeft men geen jonge koninginnen in voorraad en wil men dezelve nog kweeken, dan geeft men een raam met eieren en larven van de beste koningin of 't beste volk, dat men op zijnen stand heeft; de bijen bouwen hierop koninginnecellen en men krijgt weer jonge koninginnen.
Na 12 à 14 dagen maakt men kleine volkjes, geeft dezelve een rijpe cel en nadat de koningin is uitgekomen, laat men zoo'n volkje zoolang staan, tot de koningin is bevrucht, waarna men op een andere wijze er gebruik van kan maken. Hierdoor kan men gemakkelijk zijn stand verbeteren.
Is de boekweitdracht afgeloopen, zoo trekt men naar de heide, die gewoonlijk half Augustus begint te bloeien. Vóór dien tijd wordt de overtollige honig uitgeslingerd om niet te veel met zware kasten te moeten reizen. Over het slingeren zie vorig maandschrift blz. 104 onderaan.
H., T.