Maagdenzwermen.
Door maagdenzwermen verstaat men zwermen in hetzelfde jaar van voorzwermnen.
Met zooveel genoegen men in het voorjaar de eerste zwermen ziet komen en dankbaar in ontvangst neemt; met evenveel tegenzin worden maagdenzwermen in ontvangst genomen. De maagdenzwerm brengt de berekening van den ijmker geheel in de war, want zij komen op een tijd, dat ze als zwerm geen waarde meer bezitten en laten den moederkorf in een toestand achter, die voor dat jaar weinig meer te hopen geeft.
Bovendien heeft het werk, dat de maagdenzwerm in den moederkorf achterlaat geen waarde; want het bestaat voor een goed deel uit darrenraat, waarop men een volgend jaar geen volk mag laten werken. Een woning heeft alleen dan waarde, wanneer deze, ik zou wel willen zeggen, enkel en alleen voorzien is van fijn werk, zooals hier de ijmkers zeggen, d.w.z. alleen van werkbijcellen.
Maagdenzwermen moeten dus worden voorkomen, zij het ook met opoffering van het een of ander. Het gebeurt meermalen, dat de aanvanger met lossen bouw geen succes daarmede heeft, omdat hij voorzwermen in zijn kasten opneemt, die na een paar weken reeds beginnen met het bouwen van darrenraat.
Twee wegen staan den aanvanger open, om dit te voorkomen. Het eerste middel is, dat hij de raampjes van zijn kast geheel voorziet van z.g. kunstraat. Zelfs, wanneer een deel der raampjes voorzien worden van kunstraat en de rest met voorwerk komt hij er niet. Ik zelf ijmker in eigen gemaakte kasten met acht raampjes, die buitenwerks 35 bij 25 meten. Zes daarvan voorzag ik geheel van kunstraat en twee gaf ik alleen voorbouw. Ik deed hierin kunstzwermen, die ik als volgt nam.
Eerst zocht ik uit een kast het raampje met koningin en stootte de bijen van dit raampje in een korf, de bijen, die zich niet lieten afstooten, veegde ik van de raat in den korf, vervolgens handelde ik met alle raampjes op dezelfde wijze. Op de plaats waar de moederkast stond had ik reeds de nieuwe kast geplaatst met de honigruimte zonder raampjes er op. Eenige korte slagen van den korf met den kop tegen den grond, maakte den zwerm los van den korf en ik stootte toen het volk in de honigruimte, waarna ik met rook en veger de bijen naar de broedruimte dreef. Al de overige bijen van het moedervolk waren of kwamen dus terecht in de nieuwe kast.
Het moedervolk zette ik op de plaats van een goed volk en dit kwam elders te staan. De nieuwe kasten werden zoo bezet met flinke volken, die al spoedig ijverig bouwden, temeer, daar ik ze na eenige dagen begon te voeren. Toch bouwden ze op de twee raampjes, toen ze halverwege gekomen waren, reeds darrencellen. Ik heb die darrencellen toen weggesneden en door middel van vertind ijzerdraad het reeds van arbeidscellen gebouwde deel der raat aangevuld met kunstraat.
Deze kunstraat of middenwand mag niet te dun wezen en liefst vervaardigd zijn met de Rietsche pers. Zoo heb ik nu mijn kasten geheel vol met uitgewerkte kunstraat en enkel arbeidscellen. Toch vertoonde zich op een enkele raat, geheel beneden weer darrenraat en was reeds een begin van koninginnecel aanwezig. Het eenige middel om nu verder met succes een maagdenzwerm te voorkomen, is het vervangen der oude koningin, door een jonge bevruchte, wat ik van meetaf reeds van plan was te doen.
Om deze jonge bevruchte koninginnen te hebben, heb ik op tweeërlei manier gewerkt.
Toen een nazwerm afkwam, heb ik daaruit de koningin gezocht en deze met een deel bijen in een klein kastje gedaan, dat we bevruchtingskastje noemen. De rest van het volk gaf ik terug aan het volk, waarvan de nazwerm afkomstig was. Reeds een week, nadat ik dit kleine zwermpje in het bevruchtingskastje had gedaan, zag ik tot mijn blijdschap eitjes in de cellen. Nu zocht ik uit den voorzwerm, die reeds een begin van koniginnecel had aangezet, maar nog zonder eitje, de konigin, en plaatste die in een koninginnekooitje, dat ik tusschen twee broedramen twee dagen liet zitten. Daarna liet ik de gevangen koningin verhuizen van het koninginnekooitje in een ander, dat ik plaatste bij het zwermpje in het bevruchtingskastje en deed de koningin hieruit in het eerste kooitje, dat op dezelfde plaats in den kunstzwerm werd gehangen. Een dag later werd dit kooitje geopend en bezat de kunstzwerm een jonge eierleggende koningin.
Dit volk zwermt van 't jaar nu niet meer. Verder heb ik me eenige koninginne-bevruchtingskastjes gemaakt naar het Zwitsersche systeem van den heer U. Kramer. Van halfduims hout maakte ik kastjes, 26 c.M. lang, 12 breed en 10 hoog. In den bodem op korten afstand van den voorkant maakte ik een opening, 5 c.M. lang en 4 breed, die met fijn gaas aan den bovenkant werd gedekt en aan den buitenkant door een schuif kan worden afgesloten. De voorwand kreeg een vlieggatopening van 3 c.M. breedte, welke met een blikken schuif kan worden gesloten. Op ongeveer ¼ van den achterwand bracht ik een middenwand aan met een opening als het vlieggat, ongeveer 6 c.M. vanaf den bodem. De ruimte tusschen achter- en middenwand, dient om voedselvoorraad te kunnen bergen. Dit wordt gemaakt van weinig honig en veel suiker, liefst meelsuiker, d.i. fijngewreven broodsuiker. Hiervan komt ongeveer een pond in de bedoelde ruimte.
Het deksel bevestigde ik op het kastje met vier schroeven, boven haakvormig omgebogen, zoodat het deksel vrij afgenomen kan worden, als de schroeven een bepaalden stand hebben, terwijl bij een anderen stand der schroeven het deksel stevig bevestigd is. In het deksel is op 1/3 van den voorwand een ronde opening, in doorsnede ruim 1 c.M. Deze opening kan door een pin, welke van boven verbreed is, worden gesloten.
Ik ontnam nu een volk eenige koniniginnecellen, aan een pin werd een koninginnecel bevestigd. Daartoe doopte ik de pin in gesmolten was en drukte de cel voorzichtig hier tegen aan, daarna goot ik nog een weinig was om de plaats van vasthechting. Deze was moet tegen het stollen aan wezen. De cel werd nu door de opening in het deksel gestoken en hing in de ruimte van het kastje. Deze ruimte was nu geen ledige ruimte meer, maar bevatte behalve voer, een aantal bijen, een klein zwermpje, afgeveegd van een broedraampje.
Het bevruchtingskastje, dat nu feitelijk een koninginne-broedkastje is, wordt gesloten gehouden en goed warm, maar toch moet wat lucht worden aangevoerd, door de schuif aan den bodem open te zetten.
Na een viertal dagen trok ik voorzichtig de pin uit de opening en constateerde, dat de koniginnecel het dekseltje miste; de koningin was dus uitgeloopen. Ik plaatste nu het kastje buiten en opende het schuifje van het vlieggat, met geweld bruisten de bijen naar buiten; maar al spoedig bedaarden ze en gingen voor het vlieggat staan, de vleugels op en neer bewegende met de koppen naar het vlieggat gekeerd.
Nieuwsgierig opende ik het kastje en zag, dat er gebouwd was, de raat was bruin van kleur en de koningin liep angstig over den bodem.
Een week daarna constateerde ik eitjes in de cellen en dus was de koningin bevrucht, en kon dienen, om een oude koningin, zooals reeds is beschreven, te vervangen.
Maagdenzwermen te voorkomen, we komen hierop thans terug, komt dus hierop neer, dat men de oude koningin, door eene jonge bevruchte vervangt of dat men niet aanvangt met een oude koningin en dat is de kortste manier; maar niet de voordeeligste, omdat de eierlage dan een goed deel van den zomertijd stilstaat en volgens de beschreven manier, deze stilstand zich bepaalt tot drie dagen.
Voor den beginner met lossen bouw en voor hem, die tegen den aanschaf van kunstraat in wat ruime hoeveelheid vooralsnog opziet, is het raadzaam de kasten te bevolken met een z.g. zingenden voorzwerm.
Deze krijgt men door van den voorzwerm de koningin uit te vangen en te dooden. De voorzwerm keert nu naar haar woning terug, maar komt ongeveer een week daarna weer terug, thans nog versterkt met jonge bijen en een jonge koningin. Het nadeel is, dat alles later begint en de eierlage ongeveer 14 dagen van den besten tijd stil staat, maar men is vrij van het gevaar voor maagdenzwerm, waar weer tegenover staat, dat men een mooien zwerm als zingende voorzwerm kan verliezen, doordat ze er van door gaat.
Bij vasten bouw is, zooals reeds bij herhaling in 't Maandschrift werd aangegeven, de beste manier om maagdenzwermen te voorkomen, het omjagen; maar daarmede is het bouwen van darrenraat in de eerste woning van den voorzwerm niet ontgaan. Het is om deze reden, dat de ijmkers houden van nazwermen, die hun huis met zulk een mooie raat inrichten.
H. Stienstra.