Een paar practische opmerkingen.
Den Haag, 19-5-11
Mijnheer de Redacteur!
Op de laatste algem. vergadering ging er van het H.B. een opwekking aan de imkers uit, mede te werken aan ons Maandschrift.
Ik beschouwde dat vroeger ook als mijn plicht en heb ik verscheidene artikelen voor het Maandschrift geschreven. Maar als men dan ziet, dat men door anderen weer totaal afgebroken wordt, vergaat de lust tot schrijven en daarom heb ik het niet meer gedaan. Ik wil nog even vertellen, wat het was.
Voor zeven jaar schreef ik, dat de imkers na de heidedracht den honing uit de kasten moesten nemen met raat en al en dan aan iedere kast 16 pond suiker geven in water opgelost. Daaraan hebben zij voor den winter genoeg. Ik had dat toen reeds tweemaal gedaan met het beste gevolg. Het ligt toch voor de hand, dat dat voordeel is. Als men twintig pond honing er uithaalt, is dat een waarde van ongeveer tien gulden en 16 pond suiker kost slechts vier gulden.
Maar toen schreef iemand, dat men niet mijn raad moest opvolgen, omdat de bijen zich door het opbouwen van nieuwe raten en het verzegelen van den honing zoo afwerkten, dat zij in het voorjaar niets meer waard waren. Maar wist die imker wel, wat een enorme arbeidskracht de bijen bezitten? Wist hij wel, dat de bij nooit slaapt? Dat is immers een mirakel en toch is het zoo. Als het dagwerk afgeloopen is, begint pas het groote werk voor den nacht en zijn zij pas klaar als de dag weer tot nieuwen arbeid roept.
Midden in den winter heb ik kasten opengemaakt en steeds waren zij in beweging. En dan het zware werk, dat zij verrichten. Men neemt aan, dat een bij op goede vliegdagen per dag een afstand van 50 kilometers vliegt en dan dikwijls beladen met een gewicht, bijna zoo groot als het gewicht van het lichaam aan honing en stuifmeel.
En hoe heeft de practijk mij gelijk gegeven? Zouden er nog 25 procent van de imkers zijn, die in den herfst geen suiker voederen?
Nu wil ik weer iets vertellen, waarover velen wel weer het hoofd zullen schudden. Alle imkers weten, hoe onaangenaam het is, als wij in de honingkamer broed vinden in plaats van honing. Ik had vroeger heel wat experimenten gemaakt om dat te voorkomen tot het mij eindelijk gelukte, de oplossing te vinden. Ik zette de raampjes in de honingkamer dwars op de ramen der broedruimte en de moer ging niet over. Waarom zij dat niet doet, bleef voorloopig duister voor mij, totdat ik op een goeden dag door enkel nadenken er achter kwam.
Wij allen weten toch, dat de moer hare eieren altijd in een liggenden kegel legt. Zij doet dat onbewust, maar kan niet anders. Nu is het toch te begrijpen, dat zij dien kegel steeds kan uitbreiden als de raten in de honingruimte parallel loopen met die der broedruimte, maar staan de eersten dwars, dan stoot zij haar hoofd en moet zij terug keeren. Dat is toch wel het ei van Columbus en moeten wij zeggen, dat wij vroeger nooit goed nagedacht hebben.
Maar zoo heel volmaakt is het toch nog niet, want als de heele broedruimte gevuld is met honing, stuifmeel en broed en de bijen willen absoluut nog meer broed maken, dan vormen zij om de moer een bal, wat de Duitscher "einknäueln" noemt, en deze rollen haar in de honingruimte, omdat zij dan niet weer op den anderen dwarsbouw overgaat. Maar daartegen weet ik ook een goed middel.
Men kan natuurlijk heel goed zien, wanneer in de broedruimte alles vol is, en op dat oogenblik vangt men de moer uit en zet haar in een kooitje voor vijf of zes dagen. Als men ze dan weer los laat, zijn in de broedruimte zooveel jonge bijen uitgeloopen, dat zij werk genoeg heeft, die cellen weer te beleggen en de bijen zijn dan veranderd van zin en halen honing.
Dit experiment beteekent, dat wij den voedersapstroom, dat is de behoefte, om larven te voederen, die door het heele volk loopt, temperen en de bijen tot een andere bezigheid dwingen.
Gaarne wil ik aan belangstellenden alle mogelijke inlichtingen geven, maar als iemand hierop een afkeurende kritiek uitoefenen wil, zal ik mij te goed achten, daarop te antwoorden. Wat ik hier beschreef, is geen wijsheid uit boeken geleerd, maar uit de zuivere practijk.
Mijn adres is: „Bijenvriend", Den Haag.
Hopende, mijnheer de Redacteur, dat u dit stukje waardig zult keuren om het in het Maandschrift op te nemen, verblijf ik met de meeste
Hoogachting,
Uw dw.
G.J. RIESENER.
P.S. Ik wil nog even iets zeggen over het knippen der moeren. Men moet slechts één vleugel half afknippen en wel het eene jaar rechts en het andere jaar links, dan weet men altijd, van welk jaar zij zijn.
Mijn moeren zijn alle geknipt en kan ik met het verdere heel goed medegaan. Alleen moet men geen toestellen er voor gebruiken, daar men de moer zeer goed vast kan houden, zonder haar te beschadigen.