Een waarneming.

Laat ik op den voorgrond stellen, dat, waar ik aan de waarneming van het hierna te noemen geval werkelijk groot gewicht hecht, door mij niet gesproken mag worden van een persoonlijke ondervinding. Tot mijn leedwezen heb ik de kans daartoe misgeloopen. Maar het dienaangaande afgelegde getuigenis werd mij gegeven door twee zoo vertrouwbare mannen, en zoo spoedig na het geval zelf (zoodat vertroebeling van de gegevens was uitgesloten), dat ik voor de juistheid van het weergegevene insta als voor het met eigen oogen geziene.

Eerst de omstandigheden. Dit jaar had ik „als imker in den hof" met als opzetters 12 boogkorven en 2 ronde korven, zeer veel last van gebrek aan zwermlust bij mijn bijen. De ronde korven en 5 der boogkorven gaven in begin Juni een behoorlijken zwerm, de overige hoewel vol volk, zwermden niet en toonden ook geen neiging daartoe.

Van achteren gezien, schrijf ik dit toe aan de methode van voeren, die werd toegepast. In het bezit van vele goed gevulde tafels heidehoning voorzag ik daarvan mijn volken, toen hun wintervoorraad te veel was aangesproken in plaats van iederen avond of om den anderen avond vóór het ielgat met kleine hoeveelheden honing te voeren, gelijk ik anders pleeg toe te passen.

Hoe dit zij, nu de boekweit naderde, besloot ik kunstzwermen te maken, te "jagen" op de zoogenaamde "Fransche" manier. Een manier, die alleszins aanbeveling verdient als men niet met de jagers reizen wil, en eenvoudig hierop neerkomende, dat men den afgejaagden korf, alzoo den met broed en moerdoppen gevulden stamkorf, verplaatst naar een willekeurig punt in of bij den stal, en den nieuwen korf, waarin de jager met moer, zet op de plek waar de andere zijn winterplaats had.

Van den stamkorf zullen nu vele bijen naar hun oude plaats terugvliegen, toch niet zoovelen of hij houdt voldoende bijen om het broed, dat niet in den steek wordt gelaten, te verzorgen. Zoo kan men volstaan met de moer en een handvol bijen als jager in den korf te doen, - de bijen zorgen ervoor, dat die kolonie voldoende wordt versterkt, en de oude kolonie niet wordt verwaarloosd. Op deze wijze dus zou ik mijn volken splitsen.

De tijd ontbreekt mij om bij dergelijke manipulaties handelend op te treden, mijn tuinman, zeer vertrouwd met de bijenteelt, belast zich daarmede; ditmaal geholpen door zijn buurman, imker van rijpe ervaring. Zoo werd dan korf na korf behandeld, eerst in een gesloten schuur met het oog op gevaar voor rooven, maar later, toen bleek, dat honingstorten kon worden vermeden, in de open lucht bij den stal.

Een boogkorf met 12 raampjes bleek reeds in den kop dichte moercellen te hebben. Eén voor één werden 5 raampjes er uit gehaald, en op 1½ meter afstand van den in behandeling zijnden korf naast elkaar tegen een heining van ijzergaas geplaatst. Van de op die raampjes aanwezige bijen vlogen als gewoonlijk enkelen op, de anderen bleven in trage beweging op de raampjes toeven. Juist wilde de imker het zesde raampje los maken, toen plotseling in den korf een zonderlinge beweging kwam: al de bijen renden rond in groote extase - en tegelijker tijd deed zich hetzelfde verschijnsel voor onder de bijen, die op de 5 weggezette raampjes gebleven waren. Daarna begon alles te vliegen: Onder de behandeling van den korf begon het volk te zwermen.

Een drom van bijen stoof luid zoemend omhoog, zoowel van den korf als van de afzonderlijke raampjes, en na het gebruikelijke omwalsen in altijd nauwer kring hechtte zich de zwerm aan een boomtak in de nabijheid.

Merkwaardig in dit geval is het feit, dat niettegenstaande de intimidatie, die een werken met de raampjes moest verwekken en de verstoring van de orde in het huishouden, het zwermen ten uitvoer werd gebracht. Dat dit zou zijn bevorderd door de verstoring, mag wel als uitgesloten beschouwd worden. Immers de ondervinding leert anders. Weinige imkers zullen bij het jagen hebben ervaren, dat het volk tot zwermen overging. Het is een singulier geval, een toevallig samentreffen van het beroeren van den korf met het moment van het zwermen.

Op zichzelf beschouwd is deze waarneming dan ook van groote beteekenis, omdat hieruit blijkt dat de zwermdrift zich niet uit in waarneembare aanzwellende emotie, maar in een plotselinge impulsieve uitbarsting. Van meer gewicht echter is het feit, dat het op 1½ meter afstand verwijderde deel der bevolking op hetzelfde oogenblik door dienzelfden impuls werd gedreven. Hier, zou men zeggen, heeft men te doen met een geval van telepathie, dat de aandacht van physiologen ten volle waardig is.

Juist daarom acht ik het gewenscht de toedracht van dit geval nauwkeurig in ons vakblad te omschrijven, in de hoop, dat deze mededeelingen de imkers mogen aansporen om hun ervaring op dit gebied mede te deelen; ervaringen vastgelegd nog in hun herinnering, maar vooral die, welke zij welbewust in de toekomst zullen opdoen. Want wij moeten er aan denken, dat half verflauwde gegevens, waarbij de beteekenis van het waargenomene nog niet werd onderkend, van geringe waarde zijn. Veel meer gewicht zal er zijn te hechten aan datgene, wat onze vakmannen met bewustzijn, dat er iets zeer bizonders voorvalt, op dit gebied zullen zien en hooren.

Laten wij dus trachten ons gezicht en gehoor te scherpen als er kans bestaat, dat het hiervóór uiteengezette zich in ons werk herhaalt. En ons vooral voornemen om de zaken niet mooier voor te stellen dan ze zijn (imkers zijn soms wat idealistisch gestemd), doch met nuchtere feiten het materiaal versterken.

Lunteren.
R. DINGER.