Honigjaar Zuid-Beveland, 1911.
Een honigjaar als 1911 hebben we als ijmkers (we zijn meest jonge in 't vak) nog nimmer beleefd; in 't najaar 1910 heb ik mijn kasten en boogkorven totaal den honig ontnomen, zelfs geen enkel broedraam werd gespaard, noch van zwerm, noch van afgezwermde volken, daarna heb ik ze onmiddellijk opgevoerd met accijnsvrije suiker in drie dagen tijds, na de suiker gereed gemaakt te hebben, zooveel kilo's suiker even zooveel liters water in een groot fornuis eenige minuten gekookt en toen lauwwarm in geëmailleerde schotels voor den stal geplaatst. Nu haalden, wel is waar, de grootste volken het meeste voer, doch na verloop van eenige dagen heb ik dat door verplaatsing van ramen zoo geregeld, dat ieder volk voldoenden voorraad had.
Ik spaarde er veel werk mee, en mijn collega-ijmkers wonen ver genoeg af om te vreezen, dat een andermans bijen mijn voer zouden komen halen. Op die gevoederde suiker hebben de bijen uitstekend overwinterd. Begin April heb ik de lichte volken vereenigd, zoodat ik den zomer tegemoet ging met 28 volken. Het gewin op de kruisbessen was zeer goed, maar tengevolge van de sterke winden in die dagen verspeelde ik veel bijen, daar ze, om twee kruisbessenboomgaarden te bevliegen, een dijk over moesten, waar er bij honderden omkwamen. Het gevolg hiervan was, dat mijn volken, klein bleven. In Mei oogstte ik den eersten slingerhonig en een maand later den tweeden, te zamen vier honderd halve kilo's.
Bij den tweeden oogst nam ik uit ieder volk de koningin en maakte die onmiddellijk af. Mijn doel was om al mijn volken met een jonge koningin te krijgen, wat tamelijk wel gelukt is. Zes volken zijn moerloos geworden, doch op heden is alles zoo goed als hersteld. 't Was me te doen om honing en niet om een grooter getal volken en ook dat is me wel gelukt. Tien dagen na dien tweeden oogst heb ik alle volken op één dop gezet. Rationeeler was het geweest, wanneer ik in tijds koninginneteelt had toegepast, dan was ik zekerder van mijn zaak geweest, doch, zooals ik reeds zeide, ik heb volken genoeg en een groot gemak heb ik gehad om niet op zwermen te moeten letten, waarvoor mij dan ook grootendeels den tijd ontbreekt.
2 Aug. begon ik aan mijn derden oogst. In den tijd van twee dagen heb ik alles uitgeslingerd, geen enkel raam overgeslagen en oogstte in die twee dagen zeven honderd en tachtig halve kilo's!!! puren zuiveren klaverhoning (Luzerneklaver Medicago Sativa L.). Is dat nu tengevolge van de grootte warmte, dat die klaverbloem zooveel nectar afscheidt? Op andere jaren bloeit ze toch ook, en wordt op Zuid-Beveland veel verbouwd. In ieder geval schrijf ik het aan die groote, aanhoudende hitte toe. De Luzerneklaver heeft een kolossaal langen wortel, zoodat ze bij droog weer den vochtigen ondergrond opzoekt en vandaar veel droogte en warmte verdragen kan.
Heden voormiddag 5 Aug. inspecteerde ik een paar boogkorven, die ik 2 Aug. uitgeslingerd had en ik stond verbaasd, wat een honing al weer aanwezig was. Grootendeels stond alles weer blank. Nog slechts enkele zulke dagen en alles zit weer vol. De afsnijdsels van den verzegelden honing heb ik, als naar gewoonte, in schotels voor den stal geplaatst, doch wel de wespen zoeken den honing op, maar de bijen gaan liever naar de klaverbloemen. Nu weet ieder ijmker wel, wat zulks beteekent.
En nu nog even den boogkorf. Hoe kan er toch één ijmker zijn, die den boogkorf als bijenkorf en als bij uitstek honigkorf niet lief heeft ? Moeielijk om te behandelen, hoor ik hier. Alles zit vast, hoor ik daar, maar dan wordt er wel mee geijmkerd, maar toch niet mee gewerkt? Wanneer men als de boogjes geslingerd zijn, ze netjes schoonmaakt en geregeld zijn volken boogje voor boogje naziet, dan is er toch van dat vele vastmaken geen sprake. In een kast, hoe practisch ook ingericht, spaart de bij zijn plakwas toch ook niet. 't Kan zijn, dat ik er mee dweep, doch één ding is zeker: de bij is er gaarne in gehuisvest, broedt er goed in en voor honiggewin doet ze voor geen enkele kast onder en waar zou ze op den duur beter in overwinteren?
Ik gaf hier een kleine schets van mijn bijen en haar gewin en van mijn doenwijze, ze zal beslist voor verbetering vatbaar zijn. Ik heb collega's in mijn buurt, die per volk wel meer honig hebben gewonnen dan ik; ik hoop, dat er ook zijn, die iets minder hebben, daar ik niet graag de grootste sukkel ben.
Hansweerd, 5 Aug. 1911.
S.A. DE VISSER Jzn.
P.S. De heer de Visser schrijft mij nog 7 Sept., dat hij op 28 en 29 Aug. nogmaals 410 pond uitgeslingerd heeft, zoodat zijn oogst voor dit jaar in 't geheel bedraagt 1590 pond. Och, arme, wij beklagenswaardige heideijmkers van 1911, hoezeer benijden we onze Zeeuwsche ijmkerbroeders.
H. Stienstra