De voeding der bij.
(Vervolg van pag. 199).Thans hebben we nagegaan, voor welke levensfuncties de bij de in den honig vervatte suiker noodig heeft, n.l. voor het formeeren van warmte, voor het verrichten van arbeid, voor het maken van was.
Er rest ons thans nog de beschrijving van het voedsel, dat de bij noodig heeft voor de instandhouding van haar lichaam en voor de vorming van nieuwe bijen.
Dit kan slechts geschieden door eiwithoudende voedingsstoffen. Honig is hiervoor ten eenenmale onvoldoende. Wanneer we hier spreken van honig, dan bedoelen we zuiveren honig en deze bevat slechts weinig eiwit. Het eiwit vindt de bij in het stuifmeel, en wanneer de honig hiermede vermengd is, zooals bij pershonig dit vaak het geval is, wordt de zaak anders. Zulke honig kan wel dienst doen voor de instandhouding en uitbreiding.
Stuifmeel of pollen van den hazelaar bevat op 100 deelen 5 deelen water, 30 eiwit, 5 zetmeel, 15 rietsuiker, 40 harsachtige stoffen, vet en kleurstoffen, benevens voor de bijen onverteerbare celwand.
Hierin zit dus het noodige eiwit, wat de bij behoeft voor de vermenigvuldiging. Wanneer men de uitwerpselen der bijen onderzoekt, vindt men daarin wel de celwanden van het stuifmeel, maar de inhoud dier cellen niet; deze bevindt zich in het bijenbloed. Daarvoor moet het eiwit worden verteerd.
De vertering van het voedsel bestaat uit twee deelen. Ten eerste uit het geschikt maken om in het bloed te worden opgenomen; ten tweede in de opname in het bloed. Reeds vroeger zagen we, dat de druiven- en vruchtensuiker van den honig bijna in 't geheel geen verandering behoeven te ondergaan om in 't bloed te worden opgenomen. De rietsuiker daarentegen moet eerst worden geïnverteerd) d.w.z. in druivensuiker worden omgezet. Dit geschiedt, doordat de bij uit speekselklieren, een stof, ferment genoemd, afgeeft, die deze omzetting veroorzaakt. Aan de rietsuiker wordt dit speeksel reeds toegevoegd voor ze nog in den mond is aangeland. Ja, als de bij genoodzaakt is vaste suiker op te nemen, wordt dit speeksel langs de tong naar buiten gebracht, om de suiker op te lossen en een begin van omzetting te veroorzaken. Het is dus duidelijk, dat de bij meer moeite heeft met het opnemen van vaste suiker, dan van suiker in oplossing. Bovendien vereischt dit veel meer speeksel. Op dit feit vestig ik de aandacht der ijmkers.
De vertering van het eiwit in het stuifmeel gaat niet zoo gemakkelijk. Dit heeft plaats in de chylusmaag. De inhoud van verschillende cellen wordt in deze maag uitgestort en veroorzaakt de vertering van het eiwit. Men vindt in de chylusmaag alzoo een mengsel van verteerd en onverteerd voedsel, bekend onder den naam van spijsbrij, waarover later zal worden gesproken. Het verteerde voedsel met de onverteerbare deelen geraakt in de dunne darmen. Van hieruit en in de chylusmaag komt het verteerde voedsel in het bloed en het onverteerbare in den verbreeden endeldarm.
Al naar de soort van opgenomen voedsel zijn de uitwerpsels vast of vloeibaar, hiervan hangt ook de kleur af. De dar ontdoet zich van zijn grijsachtige, vloeibare uitwerpsels, evenals de werkbij buiten de woning, tijdens het vliegen. De koningin geeft haar geelachtige uitwerpsels af in de woning. Deze worden door de werkbijen verwijderd.
Men heeft in de uitwerpsels door het microscopisch onderzoek een vloeistof gevonden, die veel overeenkomst vertoont met het bijenbloed. Deze vloeistof, bestemd om in het bloed te worden opgenomen, heet chylus, terwijl de inhoud der chylusmaag chymus wordt genoemd.
Reeds eenige malen spraken we over bijenbloed. We willen thans hierover een weinig uitwijden.
Het bloed onderscheidt zich van het chylus door de aanwezigheid van den inhoud van verschillende cellen. Onder het microscoop vertoont het zich als een kleurlooze vloeistof, met kleine, witte lichaampjes. Deze lichaampjes zijn cellen, die overeenkomen met de witte bloedlichaampjes in ons bloed. Ze bezitten een kern en kunnen zich van vorm veranderen.
Bij zoogdieren loopt het bloed door aderen en wel aparte voor aanvoer van zuurstofrijk en afvoer van zuurstofarm bloed. (curs. toev. Red. A.d.W) Dit is bij de bij geheel anders. Hier vult het bloed de lichaamsholte. Goed en slecht bloed is dus gemengd. Behalve de bewegingen der bloedlichaampjes wordt het bloed in beweging gebracht door een soort van hart, gelegen aan de rugzijde. Daardoor beweegt zich bloed door den kop naar voren, vandaar door de borst, naar het achterlijf, om dan weder in het hart terug te keeren.
Evenals ieder dier, dat zich voedt, geeft de bij ook stoffen af. Sluit men bijen onder een glazen stolp op, dan ziet men dat ze waterdamp afgeven. Giet men, nadat de bijen eenigen tijd in den stolp hebben vertoeft, hierin kalkwater en schudt men, dan wordt dit troebel, dit bewijst, dat de bijen koolzuur afgeven, want alleen koolzuur maakt kalkwater troebel.
H. Stienstra.
(Wordt vervolgd)