De bedrijfswijze op den stand van de heeren Breteler & Lurvink te Enschedé.
Mijnheer de Redacteur, om u eene korte beschrijving te geven van onze bedrijfswijze, diene het volgende:
In September, wanneer de bijen te huis zijn gehaald, worden dadelijk, door afvliegen, de oude bijen uit de kasten en korven verwijderd, dit geschiedt door omzetten. Nu worden alle volken nauwkeurig onderzocht, de beste en zwaarste korven komen alleen voor opzetters in aanmerking. Alle koninginnen worden geïnspecteerd. De oude worden zonder onderscheid verwijderd en door jonge vervangen.
Het toevoegen van de jonge koninginnen geschiedt op de volgende wijze: nadat de oude koningin is verwijderd, wordt de jonge in eene huls (de Duitschers zeggen lok van fijn gaas vervaardigd) met twee of drie jonge bijen gedaan en van voren gesloten. De bijen van buiten in de kast beginnen dadelijk te werken, om deze huls te ontsluiten. Hieraan hebben zij gewoonlijk 2 maal 24 uur werk, soms nog langer. Zij komen langzaam bij elkaar en men heeft er niets aan te doen. Is de koningin eenmaal bevrijd, dan gaat zij tusschen de volken door en is voor goed aangenomen. Deze methode kan men ook toepassen op moerlooze volken. Zij mislukt bijna nooit.
De te zware volken worden van den overtolligen honing ontlast en ledige raampjes worden bijgehangen. Nu begint men alle volken regelmatig te voeren. Duizenden jonge bijen worden nu nog geboren. Deze komen alle den winter door en men krijgt op die manier krachtige volken. In het voorjaar, in het begin van Maart of soms nog eerder, naar dat het weer het toelaat, direct na de reinigingsvlucht, worden alle kasten weer nagezien. Een raam met honig en ook een leeg uitgebouwd raam met water gevuld, wordt in elke kast opgehangen. De kasten worden weer gesloten en vóór midden April wordt er niets meer aan gedaan.
De heeren Breteler en Lurvink hebben alle kasten met warmen bouw. De raampjesmaat is buitenwerks 26 bij 41. De helft der kasten zijn met staande en de andere met liggende ramen. De kasten 11, 12, 13, zooals u op de foto kunt zien, zie vorige Maandschrift, zijn met staande ramen. Boven die ramen is de honigkamer, door een dekplankje gescheiden en alleen van achter behandelbaar. Is het volk in het voorjaar genoegzaam ontwikkeld en komt er dracht, dan worden de dekplankjes weggenomen, een broedraam naar boven gehangen en de bijen zijn dadelijk in de honigkamer. Na 2 of 3 dagen wordt het broedraam weer naar beneden gehangen en door een rooster van de honigkamer gescheiden; alle ramen in de broedkamer worden met volle platen kunstraat bezet. Alleen de 2 of 3 achterste met streepjes kunstraat.
Het raam, dat de heer Breteler in handen houdt, is een liggend raam uit de kast, die voor hem staat. Rechts ziet ge den rooster, links den kap. De nommers 16, 17, 21 zijn kasten, van achter en van boven behandelbaar. De ramen in de broedkamer en in den opzet zijn even groot. In het midden van den opzet is een zinken latje aangebracht, voor een honigraam 13 bij 41 en boven dit raampje kan men ook een Sectiebak plaatsen. Neemt men het zinken latje weer weg, dan is de opzet precies weer geschikt voor het groote raam.
Wil men nu vroeg slingeren en zijn de bijen onder in de broedkamer genoegzaam ontwikkeld, dan neemt men alle ramen uit de broedkamer en brengt die naar boven. Slechts het broedraam, waar de koningin op zit, laat men onder in de broedkamer, hangt er zooveel ramen met kunstraten bij, tot zij gevuld is, legt dan een rooster er tusschen en aan zwermen denken zij vooreerst niet.
Verder doen zij op den Mobiel-stand „Twente" ook aan koninginneteelt. Rechts in den hoek van de foto ziet ge een klein kastje met een raampje er boven op, hierin worden de koninginnen zoolang geborgen, tot zij bevrucht zijn. Dit is van groot nut voor de ijmkerij. Vroeg in het voorjaar wordt een kast flink gevoerd, tot ze teekenen van zwermen vertoont; dan wordt de oude koningin er met een handvol bijen uitgenomen en na 14 dagen worden alle jonge koninginnen er uit genomen. Soms van 15 tot 120 stuks. Deze jonge koninginnen met een deel bijen worden in de kleine kastjes gedaan en na 10 of 14 dagen zijn zij bevrucht. Komt er nu een tweede zwerm, dan wordt de onbevruchte koningin er uitgenomen en een bevruchte er bij gedaan. Zoo ook met een volk. Heeft men bevruchte koninginnen, dan is men altijd klaar.
Ten slotte heb ik ook vernomen, dat zij alle koninginnen de vleugels inkorten en wel met goed succes, want wordt alles naar de heide gebracht, dan is men gewaarborgd, dat er geen zwerm verloren gaat. Op de vraag, waarom zij aan warmen bouw de voorkeur geven, was dit het antwoord, dat zij met warmen bouw veel meer succes hadden, dan met kouden bouw, want de achterste ramen worden nooit met broed bezet en men heeft bij goeden dracht zelfs in de broedkamer mooie ramen met spierwitten raathoning.