Mijnheer de Redacteur !


Met genoegen voldoe ik aan uwe uitnoodiging, om enkele beschouwingen in uw maandblad te geven over de kwestie, die op de laatste algemeene vergadering een punt van levendige gedachtenwisseling uitmaakte: de risico bij de suikerlevering.

Het zal u als mij getroffen hebben, dat, terwijl het hoofdbestuur deze vraag aan de orde stelde, met het oog op de groote verantwoordelijkheid, die het, en speciaal de voorzitter en de penningmeester zou dragen, indien zij niet door een nader besluit van de algemeene vergadering van die verantwoordelijkheid werden ontheven - de verschillende leden-sprekers dezer vraag behandelden speciaal bezien van hun standpunt van suikerkoopers. Evenals het hoofdbestuur zijn verantwoording op dit punt te groot vond, achten die leden hunne risico zwaarwichtig genoeg, om op dit punt een nadere regeling gewenscht te achten.

Het is dan ook zeker wenschelijk de vraag van die beide kanten te bezien.
Wat dan betreft het standpunt van het hoofdbestuur: Het behoeft, dunkt mij, weinig betoog dat die niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de goede overkomst van gelden, die aan hen gezonden worden, noch voor de soliedheid van leden, die niet vooruit betaalden, noch voor de veiligheid der gelden, bij den penningmeester berustende, of bij eene bankinstelling gedeponeerd, indien het op redelijke gronden kon veronderstellen, dat die bankinstelling solied ware.
Met andere woorden: indien het hoofdbestuur doet, wat een goed hoofdbestuur behoort te doen, zullen deszelfs leden geen aansprakelijkheid mogen hebben.
Een besluit, daaromtrent door de algemeene vergadering te nemen, zal die zaak voldoende kunnen regelen en dit is zeker gewenscht.

Maar nu de risico aan de zijde van de vereeniging zelve of van de leden suikerkoopers?
Vooral deze opmerking: Wijl de vereeniging tot bevordering der bijenteelt is een zedelijk lichaam, als bedoeld in de artikels 1690 en 1698 van het B.W. en geen coöperatieve vereeniging, zijn hare leden niet verder aansprakelijk dan tot de contributie, die zij volgens het reglement hebben te voldoen. Hieruit volgt, dat de Vereeniging als zoodanig bij lange na niet solied genoeg is voor een bedrag als de suikerverkoop beloopt. Een gevolg daarvan is, dat, als vooruit betaalde gelden wegraken, en dientengevolge de bestelde suiker niet kan worden betaald en dus niet verzonden wordt, het verlies onvermijdelijk gedragen wordt door hen, die de voorschotten hebben gedaan, want een besluit, dat het verlies zal komen ten laste der Vereeniging zelve, dekt die risico niet, omdat, zooals gezegd, de Vereeniging als zoodanig bij lange na niet goed genoeg is voor het bedrag, dat jaarlijks aan suiker wordt geleverd en vooruit betaald.

Laten wij, vóórdat wij oordeelen in hoever dit euvel te ondervangen is, nagaan welke risico de koopers loopen. Ze kan bestaan bij :
a. de verzending van de gelden. De risico hiervan moet zonder twijfel voor den verzender zijn. Door gebruik te maken van postwissel of aangeteekenden brief met aangegeven geldswaarde, kan deze geheel worden opgeheven.
b. de onsoliedheid van den kassier of de bankinstelling, waar de gelden worden gedeponeerd of door wier bemiddeling de verrekening plaats heeft.
c. oneerlijkheid van den penningmeester. De heer Wigman zal wel met mij geheel overbodig achten, waar het in deze een volkomen objectieve beschouwing is, hier een verontschuldiging bij te voegen voor deze veronderstelling.
d. de risico bij de suikerverzending.
En nu dan de vraag: Wie moet een eventueel verlies, bedoeld in b, c en d, dragen?
Mijn antwoord is: In de eerste plaats de Vereeniging. Want het ligt op den weg der Vereeniging, om deze zaak zoodanig te regelen dat die risico zoo gering mogelijk zij, ja, zoo goed als geheel opgeheven wordt.

Maar, waar de leden der Vereeniging niet persoonlijk aansprakelijk zijn, evenmin als het hoofdbestuur (wanneer het doet wat een goed hoofdbestuur behoort te doen) en waar de Vereeniging zelve niet voldoende solied is voor een zoo groot bedrag, zal per slot van rekening de kooper zelf het verlies dragen. En dit kan ook niet anders. De kooper moet de risico dragen, die uitvloeisel is van zijne vrijwillige daad (de bestelling). Maar de Vereeniging zorge, dat deze zaak zoo worde geregeld, dat die risico zoo gering mogelijk zij.

Zijn dan de voorschriften, inzake suikerbestelling, betaling en suikerlevering zoodanig, dat alle waarborgen aanwezig zijn, dat verlies zoo goed als onmogelijk is?
Me dunkt dat dit niet het geval is. En is dit juist, dan is het zeker, met hetgeen het hoofdbestuur wenscht over zijn eigen waarborg, eene zaak, die op de eerstvolgende vergadering wel mag worden onder het oog gezien en geregeld.

Ik zal, met het oog op de beschikbare ruimte, hierover niet te lang uitwijden, doch eene regeling ter beoordeeling aan de lezers van dit blad voorstellen, die, zij het dan gewijzigd of aangevuld, mijns inzien aan de bestaande bezwaren tegemoet zou kunnen komen.
Na de suikerbestelling en de daarop van den algemeenen secretaris ontvangen opgaaf, welk bedrag gestort moet worden, zendt degene die de bestelling heeft gedaan en dien ik de kooper zal noemen, de te betalen gelden aan een bankinstelling, daarvoor door de algemeene vergadering, op voorstel van het hoofdbestuur, aan te wijzen.
De kooper ontvangt daarvoor en tot het door hem betaalde bedrag een "promesse", betaalbaar bij een door de bank aan den kooper of diens order, wat wil zeggen, dat de kooper den eigendom van het papier kan overdragen, door er zijn naamteekening op te zetten.

Deze endosseert het stuk op naam van de Vereeniging, die daardoor eigenaar wordt met bijvoeging "waarde in rekening" en zendt het aldus aan den secretaris. Deze houdt het papier onder zich tot de suiker is opgezonden. Zoo spoedig het daarvan zekerheid heeft, endosseert het hoofdbestuur door de naamtekening van den voorzitter en suikerleverancier, die de "promesse" in ontvangst neemt als betalingsmiddel en die tegen overgifte en kwijting, bij de bank de gelden kan innen. Daarmee heeft dan de volledige verzekering plaats gehad. De gedurende dien tijd, die verloopt tusschen het deponeeren der gelden en de uitbetaling door de bank, gekweekte rente kan met het hoofdbestuur worden verrekend en komt de Vereeniging ten goede.

Nu is onder het bedrag, dat door den kooper betaald moet worden, natuurlijk ook een deel kosten, dat niet de leverancier, maar de Vereeniging moet ontvangen. Dit kan echter geen bezwaar geven wanneer de secretaris na de bestelling aan den kooper opgeeft welk bedrag aan de bank en hoeveel geld aan den penningmeester zelf, ter dekking van kosten, moet worden gezonden.
Het hoofdbestuur, dat op deze wijze handelt, zal dan natuurlijk van elke verantwoordelijkheid ontheven zijn en mij dunkt, het kan niet anders, of het moet een dergelijke regeling aangenaam vinden, waar het den secr.-penningm. van vele beslommeringen ontheft.

Nog een enkel woord over het denkbeeld van het hoofdbestuur, om de suiker reeds in het voorjaar te koopen, om in den herfst te leveren.
Het komt mij voor, dat dit denkbeeld alleen dan voor uitvoering vatbaar is, wanneer de bestelling aan zijde van de leden ook in het voorjaar worde gedaan en de betaling van alle bestelde suiker vóór den aankoop van de suiker plaats heeft. Wanneer dit niet geschiedt, zou, wanneer eenige koopers later weigeren de suiker te ontvangen, de risico van eventueele marktdaling te groot zijn om door de Vereeniging te worden gedragen.

Zie hier M. de R., enkele beschouwingen over deze zeer recente kwestie, die ik echter gaarne voor betere geef.

Hoogachtend,
Uw dw. dn., KINGMA, Borculo.

De Red. dankt den heer Kingma zeer voor zijn bereidwilligheid hierover een artikel te geven en verder wordt aan desbevoegden gaarne plaatsruimte beschikbaar gesteld, om deze voorname kwestie te bespreken.