De willekeur van den Redacteur van het Maandschrift
wordt bezongen in de P. I., door den heer F. de Vries te Wildervank Dallen, of liever het is in kreupelrijm een klaagzang over die willekeur.
Hoe is des dichters harp aan 't tokkelen gekomen, doordat hij na ongeveer twee jaar zoekens, een medelijden van dien willekeur der Redactie meent gevonden te hebben.
Zonderling is het dat men de Red. zoo slecht heeft willen verstaan. Want, de Red. stelt het juist op prijs dat er vrije uiting van gedachten is; maar men heeft zich aan zekere regels te houden en die zijn niet persoonlijk te worden, maar zakelijk te blijven, wat daar tegen ingaat kan niet worden toegelaten; indien de Red. daaraan had toegegeven, zouden sommige personen nog veel meer op hun achterste beenen staan en waar zou dan het eind wezen.
Strijd is goed, want strijden is leven, maar in een vereenigingsblad zijn persoonlijkheden niet op haar plaats.
De heer de Vries is bovendien onwaar als hij schrijft dat hij als medewerker is geweerd. Ik heb hem integendeel indertijd persoonlijk geschreven, dat wij het op den duur nog wel eens zouden worden, daar ik bij den heer de Vries wezenlijk liefde voor de bijenteelt meende te bespeuren en zoo dacht ik, is er een band, die ons vereenigt en alles zal goed gaan.
Dat de heer de Vries als medewerker soms een artikel geweerd zag dat de Redacteur niet geschikt oordeelde omdat het in plaats van medewerkte, afbrak, en daarom moet hij niet zoo zwartgallig zijn en te zingen: De dwingelandij van boven, die drukt hem zwaar op 't hart, en dat nog wel nadat er twee jaren over vergingen; wat zal dat arme hart hebben geleden.
Mijnheer de Vries, ’t is zoo erg niet als ge het U voorstelt, heusch niet. Als ge iets op uw hart hebt dat er af moet en dit kan door middel van 't Maandschrift gebeuren, dan wil ik U gaarne vrij en blij maken; alleen maar: zakelijk blijven.
H. Stienstra (redacteur).